De antisociale-persoonlijkheidsstoornis hangt samen met een lage sociaaleconomische status en een stedelijke woonomgeving. Wel kan de classificatie in sommige gevallen onterecht worden toegekend aan mensen die in een omgeving verkeren waarin gedrag dat antisociaal overkomt, mogelijk deel uitmaakt van een adaptieve overlevingsstrategie (bijvoorbeeld het vormen van jeugdbendes in stedelijke gebieden gekenmerkt door veel geweld en discriminatie). In sociaal-culturele contexten waarin kindermishandeling of blootstelling aan geweld veel voorkomt, kan ook een verhoogde prevalentie van antisociaal gedrag bestaan. Dit suggereert dat deze context ofwel een potentiële risicofactor vormt voor de ontwikkeling van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis, of wijst op een ongunstige omgeving die reactief en contextueel antisociaal gedrag oproept dat niet voortkomt uit pervasieve en permanente trekken die overeenkomen met een persoonlijkheidsstoornis. Voor de clinicus die iemand onderzoekt op de aanwezigheid van antisociale trekken, kan het daarom nuttig zijn om de sociale en economische context waarbinnen het gedrag optreedt, mee te wegen. In de National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions in de Verenigde Staten lijkt de prevalentie te variëren tussen etnische groepen, mogelijk vanwege een combinatie van werkelijke prevalentieverschillen, meetartefacten en de impact van een ongunstige omgeving die gedrag oproept dat lijkt op dat van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis, maar in werkelijkheid reactief en contextueel is. Mensen uit sommige sociaal onderdrukte groepen kunnen een hoger risico lopen op een verkeerde diagnose of overdiagnosticering van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis. Dit komt doordat bij hen de kans groter is dat ze in de adolescentie een onjuiste classificatie normoverschrijdend-gedragsstoornis toegekend hebben gekregen, wat een vereiste is voor de classificatie antisociale-persoonlijkheidsstoornis.