Mensen met een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis kunnen ook dysfoor zijn, met een stemming die wordt gekenmerkt door span­nings­klach­ten, het onvermogen verveling te verdragen, en een verlaagde stemming. Tevens kunnen ze met de stoornis samenhangende angst­stoor­nis­sen, stem­mings­stoor­nis­sen, stoornissen in het gebruik van een middel, of een somatisch-symp­toom­stoor­nis of gokstoornis hebben. Mensen met een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis hebben vaak ook per­soon­lijk­heids­ken­mer­ken die voldoen aan de criteria voor andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen, vooral de borderline-, de histrionische- en de narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. De kans dat iemand op volwassen leeftijd een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis ontwikkelt is groter als zich bij de betrokkene in de kindertijd (vóór de leeftijd van 10 jaar) een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis en een comorbide aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis hebben ontwikkeld.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.