Het hoofdkenmerk van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis is een in veel verschillende soorten situaties optredend patroon van een gebrek aan respect voor en het schenden van de rechten van anderen, dat begint tijdens de kinderjaren of de vroege adolescentie en voortduurt tot op volwassen leeftijd. Dit patroon is ook wel bekend onder de namen ‘psychopathie’, ‘sociopathie’ of ‘dissociale-persoonlijkheidsstoornis’. Aangezien bedrog en manipulatie hoofdkenmerken van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis zijn, kan het bijzonder nuttig zijn om de informatie uit een systematisch diagnostisch onderzoek te combineren met informatie van bronnen uit de omgeving van de betrokkene.
Voor deze classificatie moet de betrokkene minstens 18 jaar oud zijn (criterium B) en moeten er aanwijzingen zijn voor een normoverschrijdend-gedragsstoornis die begonnen is voor de leeftijd van 15 jaar (criterium C). De normoverschrijdend-gedragsstoornis bestaat uit een repetitief en persisterend patroon van gedrag waarmee de grondrechten van anderen worden geschonden of belangrijke maatschappelijke normen of regels voor deze leeftijdsgroep worden overtreden. Het specifieke gedrag bij de normoverschrijdend-gedragsstoornis behoort tot een van de volgende vier categorieën: agressie tegenover mensen en dieren, vernieling van eigendommen, bedrog of diefstal, of ernstige overtredingen van regels.
Het antisociale gedragspatroon houdt tot op volwassen leeftijd aan. Mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis slagen er niet in zich te voegen naar maatschappelijke normen over wat volgens de wet wel of niet is toegestaan (criterium A1). Ze kunnen herhaaldelijk daden plegen die een reden voor aanhouding zijn (of ze nu wel of niet daadwerkelijk worden gearresteerd), zoals eigendommen vernielen, andere mensen lastigvallen, stelen, of inkomsten verwerven uit illegale
activiteiten. Mensen met deze stoornis tonen geen respect voor de wensen, rechten of gevoelens van anderen. Ze zijn vaak leugenachtig en manipulatief ten bate van hun eigen profijt of plezier (bijvoorbeeld om geld, seks of macht te krijgen) (criterium A2). Ze kunnen herhaaldelijk liegen, een schuilnaam gebruiken, anderen duperen, of simuleren. Een patroon van impulsiviteit kan tot uiting komen in het onvermogen om vooruit te plannen (criterium A3). Beslissingen worden in een
opwelling genomen, zonder vooruit te denken en zonder rekening te houden met de gevolgen voor de betrokkene of anderen; dit kan resulteren in het plotseling wijzigen van baan, woonplaats of relatie. Mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis zijn over het algemeen prikkelbaar en agressief, en kunnen herhaaldelijk in vechtpartijen terechtkomen of lichamelijke mishandeling plegen (onder andere partnergeweld of kindermishandeling) (criterium A4). (Agressieve daden die noodzakelijk zijn om zichzelf of een ander te verdedigen, tellen niet mee voor dit criterium.) Verder vertonen deze mensen een roekeloos gebrek aan respect voor de veiligheid van zichzelf of anderen (criterium A5). Dit kan tot uiting komen in hun rijgedrag (bijvoorbeeld herhaaldelijk te hard rijden, rijden onder invloed, meermaals een ongeluk veroorzaken). Ze kunnen seksueel gedrag vertonen of middelen gebruiken waarmee ze zichzelf blootstellen aan een hoog risico op schadelijke gevolgen. Ze kunnen een kind verwaarlozen of zo ernstig tekortschieten in de zorg dat het kind in gevaar wordt gebracht.
Mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis gedragen zich vaak ook constant en in extreme mate onverantwoordelijk (criterium A6). Onverantwoordelijk werkgerelateerd gedrag kan blijken uit aanzienlijke perioden werkloos zijn terwijl er wel mogelijkheden zijn voor werk, of doordat deze mensen herhaaldelijk ontslag nemen zonder een realistisch plan te hebben voor het vinden van een nieuwe baan. In de werksituatie kan er een patroon zijn van herhaaldelijke afwezigheid zonder
dat de betrokkene zelf of een familielid ziek is. Financiële onverantwoordelijkheid blijkt uit gedrag als het niet afbetalen van schulden, geen kinderalimentatie betalen, of in gebreke blijven bij de regelmatige financiële ondersteuning van andere van de betrokkene afhankelijke mensen. Mensen met een antisociale-persoonlijkheidsstoornis tonen weinig berouw over de gevolgen van hun daden (criterium A7). Ze kunnen zich onverschillig tonen of een oppervlakkige rechtvaardiging geven voor het feit dat ze iemand anders hebben geschaad, slecht hebben behandeld of bestolen (bijvoorbeeld met uitspraken als: ‘Het leven is oneerlijk’, ‘Een loser verdient niet beter’). Deze mensen kunnen hun slachtoffer ervan beschuldigen dat hij of zij dwaas of hulpeloos is, of dat deze verdient wat er is gebeurd (‘Het zat er toch al in dat dit hem zou overkomen’); ze kunnen de schadelijke gevolgen van hun daden bagatelliseren of zich hier domweg compleet onverschillig voor tonen. Over het algemeen laten ze het na om anderen te compenseren voor de gevolgen van hun gedrag, of om te proberen die te herstellen. Ze kunnen geloven dat iedereen eropuit is om ‘de winnaar te helpen’ en dat je je nergens door moet laten weerhouden om zodoende te voorkomen dat er met je gesold wordt.
Het antisociale gedrag moet niet uitsluitend optreden tijdens het beloop van schizofrenie of een bipolaire-stemmingsstoornis (criterium D).