Omgeving Kin­der­mis­han­de­ling of -verwaarlozing, een instabiele of grillige opvoeding en een inconsistente methode van disciplineren zijn factoren die de kans vergroten dat een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis zich verder ontwikkelt tot een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Genetica en fysiologie De antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis komt meer voor bij de eer­ste­graads­bloed­ver­wan­ten van mensen met deze stoornis dan in de bevolking als geheel. Bloedverwanten van mensen met deze stoornis hebben ook een verhoogd risico op de so­ma­ti­sa­tie­stoor­nis (een classificatie die in de DSM-5 vervangen is door de somatisch-symp­toom­stoor­nis) en op stoornissen in het gebruik van een middel. Binnen een familie waarin een van de familieleden een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis heeft, hebben de mannen vaker een antisociale-per­soon­lijk­heids­stoor­nis en stoornissen in het gebruik van een middel, en komt bij vrouwen de so­ma­ti­sa­tie­stoor­nis vaker voor.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.