Temperament Risicofactoren in het temperament zijn onder andere een moeilijk, niet goed gereguleerd temperament op baby- en peuterleeftijd en een be­ne­den­ge­mid­del­de intelligentie, vooral als het gaat om het verbale IQ.

Omgeving Risicofactoren op gezinsniveau zijn: afwijzing en verwaarlozing door de ouders, een inconsequente opvoedstijl, hardvochtige dis­ci­pli­ne­rings­me­tho­den, lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik, gebrek aan toezicht, op jonge leeftijd in een instelling wonen, veelvuldige wisselingen van verzorgers, een grote gezinsomvang, criminaliteit van de ouders, en bepaalde typen familiaire psy­cho­pa­tho­lo­gie (zoals mid­del­ge­re­la­teer­de stoornissen). Risicofactoren op het niveau van de leefomgeving zijn: afwijzing door leeftijdgenoten, banden met delinquente leeftijdgenoten, leven in een ach­ter­stands­wijk, en blootstelling aan geweld. Beide typen risicofactoren zijn in meerdere mate en in ernstigere vormen aanwezig bij mensen met het subtype met begin in de kindertijd. Aan de andere kant is migratie van de ouders een risicofactor voor kinderen die in het land van herkomst worden achtergelaten of die juist met hun ouders zijn meegekomen; de ge­drags­pro­ble­men kunnen hier toegeschreven worden aan ac­cul­tu­ra­tie­pro­ces­sen. Toch hebben immigranten en vluchtelingen van de eerste generatie vaak minder ge­drags­pro­ble­men dan hun leeftijdgenoten.

Genetica en fysiologie De nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis wordt beïnvloed door zowel genetische als om­ge­vings­fac­to­ren. Bij de symptomen van agressie is het verband met genetische factoren mogelijk sterker. Het risico op de stoornis is verhoogd bij kinderen met een biologische of adoptiefouder of een broer of zus met een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis. De stoornis blijkt vaker voor te komen bij kinderen van biologische ouders met een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, een depressieve- of bipolaire-stem­mings­stoor­nis, of schizofrenie, en bij kinderen met biologische ouders met een voor­ge­schie­de­nis van ADHD of een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis. Vooral mensen met het subtype met begin in de kindertijd hebben een familieanamnese met minimaal één nor­mo­ver­schrij­dend­ge­drags­stoor­nis. Er is een overtuigend verband aangetoond tussen een lagere hartslag in rust van mensen met een nor­mo­ver­schrij­dend-gedragsstoornis vergeleken met mensen zonder de stoornis. Deze marker is voor geen enkele andere psychische stoornis kenmerkend. Ook een verminderde autonome angst­con­di­ti­o­ne­ring, zoals vooral blijkt uit een geringe huidgeleiding, is aangetoond in we­ten­schap­pe­lijk onderzoek. Deze psy­cho­fy­si­o­lo­gi­sche bevindingen zijn echter geen clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ri­um voor de stoornis. Verder zijn er bij mensen met de stoornis structurele en functionele verschillen gevonden in de hersengebieden die een rol spelen in de emotieregulatie en de emo­tie­ver­wer­king, in het bijzonder de verbindingen tussen de frontotemporale cortex en het limbische systeem, met daarin een rol voor de ventrale prefrontale cortex en de amygdala. Deze verschillen zijn consistent gevonden bij mensen met de stoornis vergeleken met mensen zonder de stoornis. Maar ook hier geldt dat bevindingen uit onderzoek met beeldvorming van het brein niet kunnen worden gebruikt om de stoornis te diagnosticeren.

Factoren die het beloop beïnvloeden De kans dat de stoornis blijft bestaan is groter bij mensen met gedrag dat voldoet aan de criteria voor het subtype ‘met begin in de kindertijd’ en voor wie de specificatie ‘met beperkte prosociale emoties’ geldt. Verder is het risico dat de stoornis aanhoudt, verhoogd bij comorbide ADHD en mid­de­len­mis­bruik.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.