F91.8
CLASSIFICATIECRITERIA
AEen repetitief en persisterend gedragspatroon waarbij de grondrechten van anderen, of belangrijke bij de leeftijd passende maatschappelijke normen of regels worden geschonden, zoals blijkt uit de aanwezigheid van minstens drie van de volgende vijftien criteria uit een van de navolgende categorieën, in het afgelopen jaar, waarbij minstens één criterium ook in de afgelopen zes maanden aanwezig is geweest:
Agressie jegens mensen en dieren
1Pest, bedreigt of intimideert vaak anderen.
2Begint vaak met vechten.
3Heeft een wapen gebruikt dat bij anderen ernstig lichamelijk letsel kan veroorzaken (bijvoorbeeld een knuppel, baksteen, gebroken fles, mes of vuurwapen).
4Heeft mensen mishandeld.
5Heeft dieren mishandeld.
6Heeft in directe confrontatie een slachtoffer bestolen (bijvoorbeeld: beroving, zakkenrollen, afpersing, gewapende roofoverval).
7Heeft iemand gedwongen tot seksuele handelingen.
Vernieling van eigendommen
8Heeft opzettelijk brand gesticht met de intentie ernstige schade te veroorzaken.
9Heeft opzettelijk eigendommen van anderen vernield (anders dan door brandstichting).
Bedrog of diefstal
10Heeft ingebroken in een huis, gebouw of auto van iemand anders.
11Liegt vaak om goederen of gunsten te verkrijgen of verplichtingen te ontlopen (bijvoorbeeld oplichting).
12Heeft zonder directe confrontatie met een slachtoffer waardevolle spullen of geld gestolen (zoals bij winkeldiefstal, maar zonder inbraak; vervalsing).
Ernstige overtredingen van regels
13Komt ’s avonds en ’s nachts vaak niet op tijd thuis ondanks een verbod van de ouders, beginnend voor de leeftijd van 13 jaar.
14Is minstens twee keer weggelopen van het huis waar hij/zij woont met ouders of andere ouderfiguren, en ’s nachts weggebleven, of één keer voor een lange periode zonder terug te keren.
15Spijbelt vaak van school, beginnend voor de leeftijd van 13 jaar.
De lijst met vijftien probleemgebieden is onveranderd gebleven ten opzichte van de DSM-IV, evenals de vereisten dat drie of meer van deze symptomen in het afgelopen jaar aanwezig zijn geweest en dat het gedragspatroon repetitief en aanhoudend moet zijn. De meeste kinderen met een normoverschrijdend-gedragsstoornis hebben veel meer dan drie symptomen. Hoewel incidenteel problematisch gedrag tot op zekere hoogte normaal is (en zelfs verwacht kan worden) bij kinderen, zijn de ernst en de verscheidenheid van deze gedragingen kenmerkend voor iemand met een normoverschrijdend-gedragsstoornis.
BDe gedragsstoornis veroorzaakt klinisch significante beperkingen in het functioneren op sociaal, school- of beroepsmatig gebied.
Als gevolg van de onvermijdelijke conflicten die zich voordoen met ouders, leraren en collega’s, leidt de normoverschrijdend-gedragsstoornis tot significante beperkingen en lijdensdruk bij het kind, in het gezin, op de school en in de buurt. Financiële en juridische gevolgen, en fysiek letsel door ongevallen of vechtpartijen, komen vaak voor. Symptomen die vaak samenhangen met de stoornis zijn een lage frustratietolerantie, prikkelbaarheid, woede-uitbarstingen en roekeloosheid. De gedragingen die horen bij de normoverschrijdend-gedragsstoornis kunnen leiden tot schorsing of verwijdering van school, aanpassingsproblemen op het werk, seksueel overdraagbare aandoeningen, en ongewenste zwangerschappen. Deze problemen kunnen ervoor zorgen dat een kind niet meer welkom is op een gewone school of niet langer bij de ouders kan blijven wonen.
CIndien de betrokkene ouder is dan 18 jaar: er wordt niet voldaan aan de criteria voor de antisociale-persoonlijkheidsstoornis.
De normoverschrijdend-gedragsstoornis en de antisociale-persoonlijkheidsstoornis liggen op een continuüm. Hoewel de normoverschrijdend-gedragsstoornis in principe op elke leeftijd kan worden vastgesteld, is het de bedoeling van dit criterium om een gedragssyndroom bij kinderen te identificeren dat een voorloper is van de antisociale-persoonlijkheidsstoornis. Bij ongeveer 40% van de jongeren met een normoverschrijdend-gedragsstoornis zal zich later in het leven een antisociale-persoonlijkheidsstoornis manifesteren.
→Specificeer of:
- Met begin in de kindertijd De betrokkenen tonen voor de leeftijd van 10 jaar minstens één symptoom dat kenmerkend is voor de normoverschrijdendgedragsstoornis.
- Met begin in de adolescentie De betrokkenen tonen voor de leeftijd van 10 jaar geen symptomen die kenmerkend zijn voor de normoverschrijdendgedragsstoornis.
- Begin ongespecificeerd Er wordt voldaan aan de criteria voor een normoverschrijdend-gedragsstoornis, maar er is niet voldoende informatie beschikbaar om te kunnen bepalen of het eerste symptoom al is opgetreden voor de leeftijd van 10 jaar.
De subtypen voor de beginleeftijd zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de DSM-IV. De juiste beginleeftijd moet worden vastgesteld met behulp van informatie van zowel de jongere als zijn of haar verzorger(s).
Deze subtypen hebben klinische gevolgen en consequenties voor de behandeling, omdat mensen met het type begin in de kindertijd vaker comorbide ADHD hebben, fysieke agressie naar anderen toe vertonen, en een antisociale-persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen.
De DSM-5 bevat de nieuwe specificatie ‘met beperkte prosociale emoties’. Deze persoonlijkheidstrek werd in de DSM-III geïntroduceerd als het undersocialized type. Dit subtype werd echter in de volgende DSM-edities weggelaten, omdat men vond dat de term ‘undersocialized’ te overdreven gericht was op sociale gehechtheid. Aan de andere kant blijkt uit onderzoek dat mensen met beperkte prosociale emoties een subtype vormen met een bijzonder ernstige en recalcitrante vorm van antisociaal gedrag. Dit gedrag wordt gekenmerkt door duidelijke neurologische, cognitieve, emotionele en sociale kenmerken (zoals het niet goed kunnen waarnemen van angstsignalen en stress bij anderen, een lagere gevoeligheid voor straf, meer onverschrokken of sensatiezoekend gedrag); en slechtere behandelingsresultaten. Bovendien blijven beperkte prosociale emoties relatief stabiel vanaf de kindertijd tot in de adolescentie en jongvolwassenheid, en zijn ze mogelijk genetisch beïnvloed.
→Specificeer indien:
Met beperkte prosociale emoties Deze specificatie is van toepassing als iemand minstens twee van de hierna genoemde kenmerken persisterend gedurende minstens één jaar in meerdere relaties en settings heeft vertoond. Deze kenmerken weerspiegelen het voor de betrokkene karakteristieke patroon van interpersoonlijk en emotioneel functioneren in deze periode, en gaan dus niet over incidentele gebeurtenissen in sommige situaties. Om de criteria voor deze specificatie te kunnen beoordelen, is dan ook informatie van meerdere bronnen nodig. Behalve zelfrapportage van de betrokkene zijn ook beschrijvingen nodig van andere mensen die de betrokkene sinds lange tijd kennen (zoals de ouders, leraren, collega’s, familieleden, leeftijdgenoten).
- Gebrek aan berouw of schuldgevoel De betrokkene voelt zich niet slecht of schuldig als hij of zij iets verkeerds heeft gedaan (berouw dat alleen wordt getoond als de betrokkene wordt betrapt en/of gestraft, telt niet mee). De betrokkene geeft blijk van een algeheel gevoel van onverschilligheid over de negatieve gevolgen van zijn of haar daden. De betrokkene heeft bijvoorbeeld geen spijt nadat hij of zij iemand pijn heeft gedaan, of maakt zich niet druk over de gevolgen van het schenden van regels.
- Ongevoelig — gebrek aan empathie Negeert gevoelens van anderen en toont zich hier onverschillig over. De betrokkene wordt beschreven als kil en harteloos. Hij of zij wekt de indruk zich meer zorgen te maken over de gevolgen van zijn of haar daden voor zichzelf dan om de gevolgen voor anderen, ook als die daden anderen forse schade berokkenen.
- Onverschillig over prestaties Betoont zich onverschillig over slechte of problematische prestaties op school, op het werk of in andere belangrijke bezigheden. De betrokkene toont niet de inspanning die noodzakelijk is om goed te presteren, ook als de verwachtingen daarover helder zijn, en geeft anderen meestal de schuld van zijn of haar slechte prestaties.
- Vlak of deficiënt affect Toont geen gevoelens of emoties aan anderen, behalve op manieren die nietszeggend, onoprecht of oppervlakkig overkomen (bijvoorbeeld doordat het handelen in tegenspraak is met de getoonde emotie; doordat hij of zij emoties snel ‘aan’ of ‘uit’ kan zetten) of als emotionele uitingen worden gebruikt voor eigen gewin (zoals emoties die worden getoond om anderen te manipuleren of te intimideren).
De subtypen voor de beginleeftijd zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de DSM-IV. De juiste beginleeftijd moet worden vastgesteld met behulp van informatie van zowel de jongere als zijn of haar verzorger(s).
Deze subtypen hebben klinische gevolgen en consequenties voor de behandeling, omdat mensen met het type begin in de kindertijd vaker comorbide ADHD hebben, fysieke agressie naar anderen toe vertonen, en een antisociale-persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen.
De DSM-5 bevat de nieuwe specificatie ‘met beperkte prosociale emoties’. Deze persoonlijkheidstrek werd in de DSM-III geïntroduceerd als het undersocialized type. Dit subtype werd echter in de volgende DSM-edities weggelaten, omdat men vond dat de term ‘undersocialized’ te overdreven gericht was op sociale gehechtheid. Aan de andere kant blijkt uit onderzoek dat mensen met beperkte prosociale emoties een subtype vormen met een bijzonder ernstige en recalcitrante vorm van antisociaal gedrag. Dit gedrag wordt gekenmerkt door duidelijke neurologische, cognitieve, emotionele en sociale kenmerken (zoals het niet goed kunnen waarnemen van angstsignalen en stress bij anderen, een lagere gevoeligheid voor straf, meer onverschrokken of sensatiezoekend gedrag); en slechtere behandelingsresultaten. Bovendien blijven beperkte prosociale emoties relatief stabiel vanaf de kindertijd tot in de adolescentie en jongvolwassenheid, en zijn ze mogelijk genetisch beïnvloed.
→Specificeer actuele ernst:
Licht Er zijn weinig of niet meer normoverschrijdende gedragsproblemen aanwezig dan noodzakelijk om de stoornis toe te kennen, en de aanwezige gedragsproblemen berokkenen anderen een relatief geringe schade (bijvoorbeeld: liegen, spijbelen, zonder toestemming buiten blijven nadat het donker is geworden, andere regels overtreden).
Matig Het aantal normoverschrijdende gedragsproblemen en het effect daarvan op anderen houden het midden tussen de mate zoals beschreven bij ‘licht’ en bij ‘ernstig’ (bijvoorbeeld: stelen zonder een slachtoffer daarmee te confronteren; vandalisme).
Ernstig Er zijn veel meer normoverschrijdende gedragsproblemen dan vereist om de classificatie toe te kennen, of deze berokkenen anderen aanzienlijke schade (bijvoorbeeld: gedwongen seks, fysieke wreedheid, het beroven van een slachtoffer, inbreken).
De subtypen voor de beginleeftijd zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de DSM-IV. De juiste beginleeftijd moet worden vastgesteld met behulp van informatie van zowel de jongere als zijn of haar verzorger(s).
Deze subtypen hebben klinische gevolgen en consequenties voor de behandeling, omdat mensen met het type begin in de kindertijd vaker comorbide ADHD hebben, fysieke agressie naar anderen toe vertonen, en een antisociale-persoonlijkheidsstoornis ontwikkelen.
De DSM-5 bevat de nieuwe specificatie ‘met beperkte prosociale emoties’. Deze persoonlijkheidstrek werd in de DSM-III geïntroduceerd als het undersocialized type. Dit subtype werd echter in de volgende DSM-edities weggelaten, omdat men vond dat de term ‘undersocialized’ te overdreven gericht was op sociale gehechtheid. Aan de andere kant blijkt uit onderzoek dat mensen met beperkte prosociale emoties een subtype vormen met een bijzonder ernstige en recalcitrante vorm van antisociaal gedrag. Dit gedrag wordt gekenmerkt door duidelijke neurologische, cognitieve, emotionele en sociale kenmerken (zoals het niet goed kunnen waarnemen van angstsignalen en stress bij anderen, een lagere gevoeligheid voor straf, meer onverschrokken of sensatiezoekend gedrag); en slechtere behandelingsresultaten. Bovendien blijven beperkte prosociale emoties relatief stabiel vanaf de kindertijd tot in de adolescentie en jongvolwassenheid, en zijn ze mogelijk genetisch beïnvloed.