Het hoofdkenmerk van de normoverschrijdendgedragsstoornis is een repetitief en aanhoudend patroon van gedrag waarmee de grondrechten van anderen of belangrijke bij de leeftijd passende maatschappelijke normen of regels worden geschonden (criterium A). Dit gedrag behoort tot een van de volgende vier groepen: agressief gedrag waarmee betrokkenen andere mensen of dieren lichamelijk letsel toebrengen of dreigen toe te brengen (criteria A1–A7); niet-agressief gedrag dat verlies van of schade aan eigendommen veroorzaakt (criteria A8–A9); bedrog of diefstal (criteria A10–A12); en ernstige overtredingen van regels (criteria A13–A15). Drie of meer van deze kenmerkende gedragingen moeten het voorafgaande jaar aanwezig zijn geweest, en minstens één gedraging ook in de afgelopen zes maanden. De gedragsstoornis veroorzaakt klinisch significante beperkingen in het sociale, schoolse of beroepsmatige functioneren (criterium B). Het gedragspatroon is gewoonlijk aanwezig in een breed scala van situaties, zoals thuis, op school of in de buurt. Aangezien mensen met een normoverschrijdend-gedragsstoornis geneigd zijn hun gedragsproblemen te bagatelliseren, zal de clinicus vaak een beroep moeten doen op andere informanten. De kennis van zo’n informant over de gedragsproblemen van de betrokkene kan echter beperkt zijn wanneer de informant onvoldoende toezicht heeft gehouden op de betrokkene, of wanneer de betrokkene symptomatische gedragingen verborgen heeft gehouden.
Mensen met een normoverschrijdend-gedragsstoornis beginnen vaak met agressief gedrag, en reageren agressief op anderen. Ze kunnen bedreigend, intimiderend of pestgedrag vertonen (bijvoorbeeld digitaal pesten via sociale media) (criterium A1); veelvuldig het initiatief nemen tot vechten (criterium A2); een wapen gebruiken dat ernstige lichamelijke schade kan berokkenen (criterium A3); fysiek wreed zijn tegenover mensen (criterium A4) of dieren (criterium A5); stelen in een confrontatie met het slachtoffer (beroven, zakkenrollen, afpersing, gewapende overval) (criterium A6); of iemand dwingen tot seksuele handelingen (criterium A7). Het fysieke geweld kan de vorm aannemen van verkrachting, mishandeling, of, in zeldzame gevallen: doodslag. Opzettelijke vernieling van eigendommen van anderen kan de vorm aannemen van opzettelijke brandstichting met de intentie ernstige schade aan te richten (criterium A8) of van het op een andere manier opzettelijk vernielen van eigendommen van anderen (bijvoorbeeld het ingooien van autoruiten, vandalisme gericht tegen eigendommen van de school) (criterium A9). Bedrog of diefstal kan zijn: inbraak in een huis, gebouw of auto van iemand anders (criterium A10); veelvuldig liegen of beloftes niet nakomen om goederen of gunsten te verkrijgen, of om schulden of verplichtingen te ontlopen (bijvoorbeeld andere mensen oplichten) (criterium A11); of het stelen van spullen met een niet onaanzienlijke waarde zonder het slachtoffer hiermee te confronteren (zoals bij winkeldiefstal, vervalsing, fraude) (criterium A12).
Mensen met een normoverschrijdend-gedragsstoornis kunnen verder ook vaak ernstige overtredingen begaan van regels (zoals regels van school, ouders of het werk). Bij kinderen met de normoverschrijdend-gedragsstoornis is er vaak een patroon, dat begint voor de leeftijd van 13 jaar, waarbij ze tot ’s avonds laat van huis wegblijven ondanks dat de ouders dit verbieden (criterium A13). Verder kan er bij kinderen een patroon zijn van weglopen van huis en ook ’s nachts wegblijven (criterium A14). Het weglopen wordt pas als een symptoom van de normoverschrijdendgedragsstoornis beschouwd als het minstens twee keer is gebeurd (of één keer als de betrokkene erg lang is weggebleven). Wegloopepisoden die het directe gevolg zijn van lichamelijke mishandeling of seksueel misbruik voldoen over het algemeen niet aan dit criterium. Spijbelen van school komt veel voor bij kinderen met de normoverschrijdend-gedragsstoornis en begint dan eerder dan de leeftijd van 13 jaar (criterium A15).