Vaak zijn er problemen met het beroepsmatige en sociale functioneren, maar dit is (in tegenstelling tot bij schizofrenie) geen definiërend criterium. De schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis gaat gepaard met beperkte sociale contacten en met moeilijkheden met de zelfverzorging, maar de negatieve symptomen kunnen minder ernstig en minder hardnekkig zijn dan bij schizofrenie. Ook anosognosie (gering ziektebesef) komt veel voor bij de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis, maar dit tekort aan ziektebesef kan minder ernstig en minder pervasief zijn dan bij schizofrenie. Mensen met een schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis kunnen een verhoogd risico hebben op het later ontwikkelen van episoden van een depressieve- of bipolaire-stem­mings­stoor­nis, wanneer de stem­mings­symp­to­men blijven bestaan na de remissie van de symptomen uit criterium A voor schizofrenie. Bijkomende stoornissen gerelateerd aan alcohol of andere middelen zijn ook mogelijk.

Er bestaan geen tests of biologische markers die met zekerheid een schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis kunnen aantonen. Neu­ro­psy­cho­lo­gi­sche onderzoeken tonen doorgaans cognitieve deficiënties aan in domeinen als de executieve functies, het verbale geheugen en de in­for­ma­tie­ver­wer­king, en deze zijn bij de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis mogelijk minder uitgesproken dan bij schizofrenie. Een veelvoorkomend kenmerk van de schi­zo­af­fec­tie­ve stoornis is verlies van grijze massa bij beeldvormend onderzoek van de hersenen, vergelijkbaar met schizofrenie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.