De problemen die het gevolg zijn van de stoornis in het gebruik van cannabis hebben te maken met het gebruik van middelen die afkomstig zijn van de cannabisplant en chemisch vergelijkbare synthetische verbindingen. In die middelen is de belangrijkste psychoactieve (en dus mogelijk verslavende) stof het cannabidoïde delta-9-te­tra­hy­dro­can­na­bi­nol (delta-9-THC of THC). De cannabinoïden hebben een diverse uitwerking op de hersenen, met name op de can­na­bi­no­ï­de­re­cep­to­ren CB1 en CB2, die in het hele centrale zenuwstelsel zijn aangetroffen.

Cannabis wordt op velerlei manieren geconsumeerd. Het wordt meestal in sigaretvorm gerookt (joint) maar ook in een pijp, waterpijp (bong, hookah of shisha) of in de omhulling van een uitgeholde sigaar (blunt). Ook zijn er apparaten ontwikkeld waarmee cannabis kan worden ‘gevaporiseerd’ (verdampt). Bij het verdampen wordt het plantaardige materiaal verhit zodat de vrijgekomen psychoactieve cannabinoïden kunnen worden geïnhaleerd. Een andere recente methode is dabbing, waarbij een geconcentreerd cannabisproduct (butaan-hasjolie ofwel BHO), verkregen door extractie van THC uit het plantaardige materiaal via butaangas, wordt verhit en geïnhaleerd. Vaporiseren en dabbing winnen vooral onder jongeren aan populariteit. Cannabis kan ook oraal worden ingenomen door het in voedsel of drankjes te verwerken. Zoals ook het geval is bij andere psychoactieve middelen, zorgt het roken (en verdampen) doorgaans voor een sneller begin en een hogere intensiteit van de gewenste effecten. De hars van de cannabisplant, die eveneens vaak wordt gebruikt, is hasjiesj. De sterkte van de algemeen beschikbare cannabis (THC-concentratie) is erg wisselend en varieert van gemiddeld 10 tot 15% bij de meeste plantaardige materialen van cannabis, van 30 tot 40% bij hasjiesj en van 50 tot 55% in hasj-olie. In de afgelopen twintig jaar is de sterkte van de in beslag genomen cannabis gestaag omhooggegaan. Legale can­na­bis­pro­duc­ten hebben soms een nog hogere THC-potentie (bijvoorbeeld 20% voor plantaardige materialen en tot 65% voor extracten). Zowel de gekweekte als de synthetische orale formules (tabletten en capsules) van delta-9-THC zijn in Nederland als ‘medicinale cannabis’ op recept verkrijgbaar voor een aantal daarvoor erkende ernstige aandoeningen (bijvoorbeeld misselijkheid en braken door chemotherapie; anorexia; en gewichtsverlies bij mensen met aids). Er zijn meer synthetische cannabinoïden ontwikkeld en verspreid voor niet-medische doeleinden in de vorm van plantaardig materiaal waar een cannabinoïde formule overheen is gespoten (bijvoorbeeld: K2, Spice, JWH-018 en JWH-073). Hoewel dergelijke synthetische cannabinoïden zijn ontworpen om de effecten van cannabis na te bootsen, zijn hun chemische samenstelling, potentie, effecten en werkingsduur onvoorspelbaar en kunnen zij ernstiger nadelige effecten veroorzaken dan plantaardige can­na­bis­pro­duc­ten, waaronder insulten, hartziekten, psychosen en zelfs overlijden.

Het meest voorkomende medische doel voor cannabisgebruik is het bestrijden van chronische pijn. Wanneer cannabis of een cannabinoïde middel op indicatie voor een medische aandoening wordt gebruikt, zullen er vanzelfsprekend symptomen van tolerantie en onttrekking optreden (lichamelijke afhankelijkheid). Deze moeten bij het toekennen van de classificatie stoornis in het gebruik van cannabis niet als primaire criteria worden beschouwd. De werkzaamheid van cannabis voor verschillende somatische symptomen staat nog steeds ter discussie. Het gebruik vanwege medische omstandigheden dient bij de keuze van een classificatie in overweging te worden genomen.

Patronen van cannabisgebruik kunnen variëren van licht, onregelmatig gebruik tot zwaar, frequent gebruik. Mensen met een stoornis in het gebruik van cannabis volgens de DSM-5 gebruiken het middel frequent (gemiddeld vier of meer dagen per week). Het komt voor dat mensen maanden of jaren achtereen de hele dag door cannabis gebruiken. Vanwege de steeds gangbaardere perceptie dat cannabisgebruik onschadelijk zou zijn, kan het voorkomen dat betrokkenen niet inzien dat hun klachten (bijvoorbeeld ont­trek­kings­symp­to­men) met cannabis te maken hebben. Bovendien kan er bij mensen die meerdere middelen gebruiken onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de symptomen worden veroorzaakt door cannabis of door een ander middel, leidend tot onderrapportage van de symptomen van een stoornis in het gebruik van cannabis.

Voor de stoornis in het gebruik van cannabis gelden dezelfde elf criteria als voor andere stoornissen in het gebruik van een middel, op basis van een aanzienlijke hoeveelheid empirisch bewijs. Deze criteria, een cluster van gedrags- en lichamelijke symptomen, leiden tot klinisch significante beperkingen of lijdensdruk en kunnen bestaan uit ont­trek­kings­symp­to­men, tolerantie, craving, veel tijd besteden aan activiteiten die verband houden met het middel, en gebruik in gevaarlijke situaties (zoals rijden onder invloed). Sommige mensen die meerdere malen per dag cannabis gebruiken, vinden zelf niet dat zij te veel tijd onder invloed zijn van cannabis of moeten herstellen van de effecten daarvan, ondanks dat zij wel degelijk gedurende de meeste dagen onder invloed zijn van dit middel of ervan herstellen. Een belangrijke aanwijzing voor de classificatie stoornis in het gebruik van cannabis is dat de betrokkene het middel blijft gebruiken, ondanks dat er sprake is van negatieve gevolgen voor andere activiteiten of relaties die belangrijk zijn voor de betrokkene (zoals school, werk, sport, relatie met de partner of de ouders).

Bij regelmatige can­na­bis­ge­brui­kers ontstaat tolerantie voor veel acute effecten van cannabis en leidt stoppen met het gebruik over het algemeen tot een ont­trek­kings­syn­droom. Can­na­bis­ont­trek­king kan aanzienlijke klachten veroorzaken, waardoor het gebruik wordt voortgezet om die klachten te verlichten. De ont­trek­kings­symp­to­men maken het moeilijk om te stoppen en vergroten de kans op terugval.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.