F94.0
CLASSIFICATIECRITERIA
AConsistent niet spreken in sociale situaties waarin dit wel wordt verwacht (zoals op school), ondanks het feit dat de betrokkene in andere situaties wel spreekt.
Wanneer kinderen en volwassenen met selectief mutisme anderen ontmoeten in specifieke sociale interacties, beginnen zij niet met praten of reageren zij niet op wat de ander zegt. Thuis kunnen diezelfde mensen echter wel normaal communiceren. De classificatie vereist consistent niet spreken in sociale situaties.
BDe stoornis interfereert met de prestaties op school, op een opleiding of op het werk, of in de sociale communicatie.
Selectief mutisme hangt samen met significante beperkingen. Kinderen met selectief mutisme weigeren vaak om te spreken op school, met als gevolg school- en studieproblemen. Wanneer deze kinderen opgroeien, kunnen zij in een toenemend sociaal isolement terechtkomen, en op school ondervinden ze beperkingen in het functioneren, omdat ze vaak niet op de juiste wijze communiceren met docenten over schoolgerelateerde of persoonlijke behoeften.
CDe duur van de stoornis bedraagt minstens één maand (en is niet beperkt tot de eerste maand op school).
Selectief zwijgen dat minder dan een maand duurt (bijvoorbeeld wanneer een kind boos wordt en een paar dagen weigert te praten) voldoet niet aan de criteria voor de classificatie.
DHet niet spreken kan niet worden toegeschreven aan een gebrek aan kennis van of vertrouwdheid met de in de sociale situatie gesproken taal.
Kinderen uit gezinnen die zijn geëmigreerd naar een land waar een andere taal wordt gesproken, weigeren mogelijk om de nieuwe taal te spreken omdat ze een gebrek aan kennis hebben over die taal. Als het begrip van de nieuwe taal voldoende is, maar het kind nog steeds weigert om te spreken, is de classificatie selectief mutisme wellicht gerechtvaardigd.
EDe symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een communicatiestoornis (bijvoorbeeld een stoornis in de spraakvloeiendheid ontstaan in de kindertijd) en treden niet uitsluitend op in het beloop van de autismespectrumstoornis, schizofrenie of een andere psychotische stoornis.
Hoewel kinderen met selectief mutisme over het algemeen normale taalvaardigheden hebben, kan er af en toe sprake zijn van een samenhangende communicatiestoornis. Selectief mutisme moet daarom worden onderscheiden van spraakstoornissen die beter kunnen worden verklaard door een communicatiestoornis, zoals de taalstoornis, spraakklankstoornis (voorheen fonologische stoornis), stoornis in de spraakvloeiendheid ontstaan in de kindertijd (ontwikkelingsstotteren), of pragmatische (sociale) communicatiestoornis. In tegenstelling tot selectief mutisme beperken de spraakmoeilijkheden bij deze stoornissen zich niet tot een bepaalde sociale situatie. Mensen met een autismespectrumstoornis, schizofrenie of een andere psychotische stoornis, of een ernstige verstandelijke beperking, kunnen problemen ervaren met de sociale communicatie en niet in staat zijn om adequaat te spreken in sociale situaties. Daarentegen mag de classificatie selectief mutisme alleen worden toegekend wanneer van een kind bekend is dat het in sommige sociale situaties (meestal thuis) wel spreekt.