Genetica en fysiologie De belangrijkste risicofactoren voor het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom zijn obesitas en van het mannelijke geslacht zijn. Andere risicofactoren zijn onder andere maxillomandibulaire retrognathie (het naar achteren staan van de kaken) of micrognathie (te kleine kaak), een familiaire voorgeschiedenis van slaapapneu, genetische syndromen die de doorgankelijkheid van de luchtwegen verminderen (bijvoorbeeld het downsyndroom, het syndroom van Treacher-Collins), hypertrofie van de tonsillen en de adenoïden (vooral bij jonge kinderen), het climacterium (bij vrouwen) en verschillende endocriene syndromen (bijvoorbeeld acromegalie). In vergelijking met premenopauzale vrouwen hebben mannen een grotere kans op het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom. Dit komt waarschijnlijk door de invloed van geslachtshormonen op de respiratoire controle en de verdeling van het lichaamsvet, en door de geslachtsverschillen in de bouw van de luchtwegen. Geneesmiddelen voor psychische stoornissen en somatische aandoeningen die somnolentie kunnen opwekken, kunnen het beloop van de apneuklachten verergeren wanneer deze medicatie niet zorgvuldig wordt voorgeschreven en gecontroleerd.
De significante familiaire cumulatie van de apneu-hypopneu-index laat zien dat het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom een sterke genetische basis heeft. De prevalentie van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom is ongeveer tweemaal zo hoog onder de eerstegraadsfamilieleden van de proband met het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom in vergelijking met leden van controlefamilies. Een derde van de variatie in de apneu-hypopneu-index wordt verklaard door gedeelde familiaire factoren. Genetische markers met diagnostische of voorspellende waarde zijn op dit moment nog niet beschikbaar; een familiaire voorgeschiedenis van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom moet de clinicus doen denken aan de stoornis.