Het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom is de meest voorkomende adem­ha­lings­ge­re­la­teer­de slaapstoornis. Het kenmerk is herhaalde episoden van obstructie van de bovenste (faryngeale) luchtwegen (apneus en hypopneus tijdens de slaap). Elke apneu of hypopneu betekent een vermindering van de ademhaling gedurende minstens 10 seconden bij volwassenen, of twee gemiste ademhalingen bij kinderen, en hangt meestal samen met een daling van de zuur­stofsatu­ra­tie van ≥ 3% en/of een elektro-en­ce­fa­lo­gra­fisch geregistreerde arousal. Zowel slaap­ge­re­la­teer­de (nachtelijke) klachten als klachten overdag komen vaak voor. De hoofdklachten van het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom zijn snurken en slaperigheid overdag.

Het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom bij volwassenen wordt vastgesteld op basis van de bevindingen van een polysomnogram (of een ambulant slaaponderzoek uitgevoerd buiten een slaapcentrum) en gerapporteerde klachten. De diagnose wordt gebaseerd op symptomen van (1) nachtelijke adem­ha­lings­stoor­nis­sen (snurken, snuiven of naar adem happen, adempauzes tijdens de slaap) of (2) slaperigheid overdag, vermoeidheid, of niet-verkwikkende slaap ondanks voldoende gelegenheid om te slapen, en (3) registratie bij polysomnografie (of ambulant slaaponderzoek) van vijf of meer obstructieve apneus of hypopneus per uur slaap (criterium A1). De symptomen kunnen niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, en kunnen ook niet toegeschreven worden aan een andere somatische aandoening. Zijn deze symptomen niet aanwezig, dan kan de classificatie worden toegekend als polysomnografie (of beperkt ambulant slaaponderzoek) vijftien of meer obstructieve apneus en/of hypopneus per uur slaap heeft geregistreerd (criterium A2).

De clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom zijn voor kinderen en volwassenen verschillend. Voor het bepalen van de drempelwaarden voor afwijkingen bij kinderen wordt een obstructieve apneu-hypopneu-index van een of meer voorvallen per uur gehanteerd, of bewijs van obstructieve hypoventilatie in combinatie met snurken, of er moeten po­ly­som­no­gra­fi­sche aanwijzingen zijn voor obstructie van de ademhaling. De bevindingen uit polysomnografie bij kinderen kunnen verschillen van die bij volwassenen: bij kinderen ziet men een moeizamere ademhaling, partiële obstructieve hypoventilatie (aanhoudende afname van het ademvolume als gevolg van beperkingen in de luchtstroom in de bovenste luchtwegen) met cyclische zuur­stof­des­a­tu­ra­ties, hypercapnie en paradoxale ademhaling.

De meeste gevallen van obstructieve slaapapneu blijven on­ge­di­a­gnos­ti­ceerd. Het is daarom belangrijk om specifiek te kijken naar een verstoorde slaap die optreedt in combinatie met klachten over snurken of adempauzes, en naar fysieke bevindingen die de kans op het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom verhogen (bijvoorbeeld een centrale obesitas, een belemmerde faryngeale luchtweg, een verhoogde bloeddruk) om de kans te vergroten dat deze goed te behandelen stoornis ge­di­a­gnos­ti­ceerd wordt.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.