Primair snurken en andere slaap­stoor­nis­sen Mensen met het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom moeten worden onderscheiden van mensen met primair snurken (wel snurken, maar geen klachten overdag en geen afwijkingen op de polysomnografie van de nachtelijke slaap). Mensen met het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom rapporteren soms ook dat zij ’s nachts naar adem happen en het gevoel hebben te stikken, wat verward kan worden met de aanwezigheid van astma of gastro-oesofageale reflux. Slaperigheid of andere klachten overdag die niet kunnen worden verklaard door andere oorzaken, kunnen duiden op het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom; het onderscheid moet met polysomnografie worden aangetoond. Bij de differentiële diagnostiek tussen de hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis, het centrale-slaap­ap­neu­syn­droom, slaap­ge­re­la­teer­de hypoventilatie en het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom moet po­ly­som­no­gra­fisch onderzoek uitsluitsel geven.

Het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom moet worden onderscheiden van andere oorzaken van slaperigheid, zoals narcolepsie, de hy­per­som­no­len­tie­stoor­nis, te kort slapen of een circadianeritme-slaap-waakstoornis. Het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom kan van narcolepsie worden onderscheiden door de afwezigheid van kataplexie, van slaap­ge­re­la­teer­de hallucinaties, en van slaapparalyse, en door de aanwezigheid van luid snurken, van naar adem happen tijdens de slaap, en van apneus die tijdens de slaap worden waargenomen. De slaapepisoden overdag bij narcolepsie zijn korter, geven meer verkwikking en gaan vaak gepaard met dromen. Po­ly­som­no­gra­fi­sche onderzoeken van de nachtelijke slaap registreren apneus en hypopneus en zuur­stofsatu­ra­tie­da­ling die karakteristiek zijn voor het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom. Bij narcolepsie worden tijdens de MSLT meerdere rem­slaap­pe­ri­o­den tijdens de inslaapfase geregistreerd. Narcolepsie kan, net als het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom, in verband staan met obesitas. Bij sommige mensen komen narcolepsie en het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom gelijktijdig voor. Omdat de twee stoornissen naast elkaar kunnen voorkomen, sluit een classificatie narcolepsie de classificatie obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom niet uit.

Centrale-slaap­ap­neu­syn­droom Centrale slaapapneu kan van obstructieve slaapapneu worden onderscheiden door de aanwezigheid van repetitieve apneus of hypopneus als gevolg van een verminderde of afwezige adem­ha­lings­in­span­ning, zoals vastgelegd door polysomnografie. Er kan sprake zijn van snurken, alhoewel dit minder prominent kan zijn dan waargenomen bij het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom. Ook kan snurken afwezig zijn. Mensen met een centrale-slaap­ap­neu­syn­droom vertonen vaak een gefragmenteerde slaap en kunnen ook klagen over slaperigheid overdag. Centrale slaapapneu wordt het meest gezien bij mensen met congestief hartfalen (Cheyne-Stokes-ademhaling) of neurologische aandoeningen, of bij mensen die opioïde medicatie gebruiken.

In­som­ni­a­stoor­nis Bij mensen die moeite hebben met inslapen of doorslapen, of die zeer vroeg in de ochtend ontwaken, kan de in­som­ni­a­stoor­nis worden onderscheiden van het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom door de afwezigheid van snurken en door een anamnese van klachten en verschijnselen die kenmerkend zijn voor snurken. Echter, insomnia en obstructieve slaapapneu/hypopneu komen soms naast elkaar voor. In dat geval kunnen beide stoornissen het best gelijktijdig worden behandeld om de nachtrust te verbeteren.

Paniekaanvallen Klachten bij nachtelijke paniekaanvallen zijn onder andere naar adem happen, of het gevoel hebben te stikken tijdens de slaap. Deze klachten zijn soms moeilijk klinisch te onderscheiden van het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom. Maar nachtelijke paniekaanvallen zijn van het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom te onderscheiden door de minder frequente episoden, een intense autonome arousal en de afwezigheid van overmatige slaperigheid. Een polysomnografie (of ambulant slaaponderzoek) bij mensen met nachtelijke paniekaanvallen registreert niet het typerende patroon van apneus of zuur­stofsatu­ra­tie­da­ling dat zo karakteristiek is voor het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom. En mensen met het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom hebben geen voor­ge­schie­de­nis van paniekaanvallen overdag.

Nachtelijke astma Nachtelijke astma-aanvallen kunnen vaak leiden tot het plotseling ontwaken uit de slaap met symptomen van hijgen of stikken die niet te onderscheiden zijn van dyspnoïsche episoden als gevolg van obstructieve slaapapneu. Bij mensen met nachtelijke astma-aanvallen is echter doorgaans een voor­ge­schie­de­nis van astma aanwezig, en met polysomnografie (of ambulant slaaponderzoek) kan geen bewijs gevonden worden voor obstructieve apneu, zoals de aanwezigheid van apneus, hypopneus en zuur­stof­des­a­tu­ra­tie. Niettemin kunnen nachtelijke astma en obstructieve slaapapneu naast elkaar bestaan, en dit kan het lastig maken om de relatieve bijdrage van elke aandoening te bepalen.

Aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis Symptomen van de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis bij kinderen zijn, onder andere, gemakkelijk afgeleid kunnen worden, leerstoornissen, hyperactiviteit en internaliserend gedrag. Al deze symptomen kunnen echter ook klachten zijn van obstructieve slaapapneu/hypopneu in de kindertijd. De aanwezigheid van andere klachten en verschijnselen van het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom in de kindertijd (bijvoorbeeld een moeizamere ademhaling of snurken tijdens de slaap en een ade­no­ton­sil­lai­re hypertrofie) kan erop wijzen dat obstructieve slaapapneu/hypopneu aanwezig is. Het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom en de aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis komen vaak gelijktijdig voor en kunnen een oorzakelijk verband hebben. In dat geval zijn risicofactoren, zoals vergrote tonsillen, obesitas of een familieanamnese van slaapapneu, voor de clinicus een aanwijzing dat de stoornissen naast elkaar voorkomen.

Insomnia of hy­per­som­no­len­tie door een middel/medicatie Het gebruik en de ontwenning van middelen (inclusief medicatie) kunnen leiden tot insomnia of hy­per­som­no­len­tie. Vaak volstaat een zorgvuldig opgenomen anamnese om het relevante (genees)middel op te sporen, en bij follow-uponderzoeken is verbetering van de slaap­stoor­nis­sen te zien na het staken van het middel of de medicatie. In andere gevallen kan door het gebruik van een (genees)middel (bijvoorbeeld alcohol, barbituraten, benzodiazepinen, opioïden) exacerbatie van de obstructieve slaapapneu/hypopneu optreden. Bij mensen die klachten en verschijnselen hebben die samenhangen met het obstructieve-slaapapneu-/hy­p­o­p­neu­syn­droom, moet die classificatie worden toegekend zelfs wanneer er gelijktijdig een middel wordt gebruikt dat de stoornis verergert.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.