De verdeling van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom over de leeftijdsgroepen vertoont verschillende pieken. De eerste piek komt voor bij kinderen in de leeftijd van 3–8 jaar wanneer de nasofarynx wordt gehinderd door een relatief grote hoeveelheid tonsillair weefsel ten opzichte van de grootte van de bovenste luchtweg. Wanneer de luchtweg groeit en het lymfoïde weefsel later in de kindertijd verdwijnt, is de prevalentie lager. Als gevolg van de toename van obesitas bij adolescenten treedt een tweede piek in de prevalentie op in die leeftijdsgroep. Wanneer tot slot de prevalentie van obesitas op middelbare leeftijd blijft toenemen en vrouwen het climacterium ingaan, neemt de prevalentie van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom verder toe. Het beloop bij ouderen is onduidelijk; de prevalentie kan zich na de leeftijd van 65 jaar op een bepaald niveau stabiliseren, maar bij sommigen kan de ernst van de stoornis verergeren met het ouder worden. De resultaten van polysomnografisch onderzoek moeten in het licht van andere klinische gegevens worden geïnterpreteerd. Ongeacht de leeftijd van de betrokkene, moet er worden gekeken naar significante klinische symptomen van insomnia of hypersomnia.
Het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom heeft meestal een sluipend begin, een geleidelijke progressie en een persisterend beloop. Het luid snurken is meestal vele jaren aanwezig, vaak al sinds de kindertijd, maar kan, wanneer dit ernstiger wordt, de reden zijn dat de betrokkene naar een arts stapt. Gewichtstoename kan de toename van de klachten versnellen. Het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom kan op iedere leeftijd voorkomen, maar manifesteert zich het meest bij mensen in de leeftijd van 40–60 jaar. In de loop van vier tot vijf jaar neemt de gemiddelde apneu-hypopneu-index toe bij volwassenen en ouderen: met ongeveer twee apneus of hypopneus per uur. De apneu-hypopneu-index en de incidentie van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom zijn hoger onder mensen die ouder zijn, man zijn of een hogere body mass index (BMI) als uitgangswaarde hebben of bij wie de BMI in de loop van het leven toeneemt. Het spontaan verdwijnen van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom is gemeld bij afvallen, vooral na bariatrische chirurgie. Bij kinderen is er een seizoensgebonden variatie in het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom waargenomen, evenals een verbetering van de klachten door de groei.
Bij jonge kinderen kunnen de klachten en verschijnselen van het obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom subtieler aanwezig zijn dan bij volwassenen, waardoor het lastiger is om de classificatie vast te stellen. Polysomnografie kan de classificatie bevestigen. Aanwijzingen voor fragmentatie van de slaap op het polysomnogram zijn soms niet zo duidelijk als in onderzoeksresultaten bij ouderen. Klachten zoals snurken worden gewoonlijk door de ouders gerapporteerd en hebben daarom een verlaagde sensitiviteit. Arousals met agitatie en ongewone slaaphoudingen kunnen voorkomen, zoals slapen op handen en knieën. Enuresis nocturna kan ook optreden en moet een sterker vermoeden van het obstructieveslaapapneu-/hypopneusyndroom geven als het optreedt bij een kind dat eerder ’s nachts zindelijk was. Bij kinderen kan zich ook een overmatige slaperigheid overdag manifesteren, hoewel dit niet zo vaak of duidelijk voorkomt als bij volwassenen. Overdag door de mond ademhalen, moeite met slikken en een slechte articulatie bij het spreken zijn ook veelvoorkomende kenmerken bij kinderen. Kinderen jonger dan 5 jaar worden vaker aangemeld met nachtelijke klachten, zoals geobserveerde apneus en moeizame ademhaling, dan met gedragsklachten (de nachtelijke klachten zijn vaak duidelijker waarneembaar en zijn vaker de reden dat de ouder of verzorger met het kind naar de arts gaat). Bij kinderen ouder dan 5 jaar zijn het juist vaker de klachten overdag, zoals slaperigheid en gedragsstoornissen (bijvoorbeeld impulsiviteit en hyperactiviteit), de aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis, leerproblemen, en ochtendhoofdpijn die een reden voor bezorgdheid zijn. Kinderen met een obstructieve-slaapapneu-/hypopneusyndroom kunnen zich ook presenteren wanneer zij qua lengte niet voldoen aan de groeicurve, niet gedijen of een ontwikkelingsachterstand hebben. Hoewel obesitas een minder belangrijke risicofactor is bij jonge kinderen, draagt die toch bij aan het optreden van obstructieve slaapapneu.