Onder de inhalantia vallen ook vluchtige kool­wa­ter­stof­fen. Dit zijn toxische gassen die afkomstig zijn van lijm, benzine, verf en andere vluchtige verbindingen. Indien mogelijk moet het betreffende middel worden genoemd (bijvoorbeeld ‘stoornis in het gebruik van tolueen’). De meeste verbindingen die worden geïnhaleerd zijn echter samengesteld uit verschillende stoffen die psychoactieve effecten kunnen hebben. Het is daarom vaak lastig om te bepalen welke stof precies de stoornis heeft veroorzaakt. Tenzij het ondubbelzinnig vaststaat dat slechts één ongemengde stof is gebruikt, dient in de classificatie de algemene aanduiding ‘inhalantium’ te worden gebruikt. Stoornissen die ontstaan na gebruik van de inhalatie van distikstofoxide (‘lachgas’) of amyl-, butyl- of isobutylnitriet (‘poppers’), worden onder de stoornissen in het gebruik van een ander (of onbekend) middel geschaard.

Een van de kenmerken van een stoornis in het gebruik van een inhalantium is het herhaaldelijk gebruik van een inhalantium, ondanks dat de betrokkene weet dat het middel hem of haar ernstige problemen bezorgt (criterium A). Deze problemen worden in de criteria weergegeven.

Bij een stoornis in het gebruik van een inhalantium kan iemand verzuimen van werk of school of niet in staat zijn om de gewone werk- of school­ver­plich­tin­gen uit te voeren (criterium A5). Ook kan de betrokkene het inhalantium blijven gebruiken ondanks dat dit tot conflicten leidt met familie of vrienden, of tot vechtpartijen en andere sociale en in­ter­per­soon­lij­ke problemen (criterium A6). Ook kan het voorkomen dat iemand het contact met familie, het aangaan van werk- en school­ver­plich­tin­gen, of vrije­tijds­be­ste­ding (sport, spel, hobby’s) beperkt (criterium A7). Daarnaast komt het voor dat iemand inhalantia gebruikt tijdens het besturen van een voertuig of het bedienen van gevaarlijke apparatuur (criterium A8).

Bij ongeveer 10% van de mensen die inhalantia gebruiken, komt tolerantie voor (criterium A10). Aangezien een klinisch significant ont­trek­kings­syn­droom bij in­ha­lan­ti­um­ge­bruik niet is vastgesteld, is er geen ont­trek­kings­syn­droom van een inhalantium opgenomen en tellen ont­trek­kings­symp­to­men niet mee als criterium voor de stoornis in het gebruik van een inhalantium. Wel kunnen er ont­trek­kings­symp­to­men optreden bij mensen die inhalantia gebruiken of een matige tot ernstige stoornis in het gebruik van een inhalantium hebben. Deze symptomen lijken in frequentie overeen te komen met de ont­trek­kings­symp­to­men bij mensen met een matige tot ernstige stoornis in het gebruik van cocaïne.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.