De classificatie stoornis in het gebruik van een inhalantium wordt toegekend op basis van terugkerende episoden met intoxicatie, waarbij de standaarddrugstest negatief is (deze kunnen geen inhalantia aantonen); bezit van een middel of geuren die blijven hangen; periorale of perinasale ‘lijmsnuiversuitslag’; omgang met anderen van wie bekend is dat zij inhalantia gebruiken; deel uitmaken van een groep waarin het gebruik van inhalantia veel voorkomt (bijvoorbeeld sommige inheemse gemeenschappen, dakloze kinderen die bij een straatbende horen); het gemakkelijk verkrijgbaar zijn van bepaalde inhalantia; bezit van de gebruikersattributen; aanwezigheid van de kenmerkende somatische complicaties die bij de stoornis horen (hersenaandoeningen van de witte stof, rabdomyolyse); en de aanwezigheid van meerdere andere stoornissen in het gebruik van een middel. Mensen met een stoornis in het gebruik van een inhalantium kunnen symptomen hebben van pernicieuze anemie, gecombineerde strengziekte (myelopathie), een uitgebreide of beperkte neurocognitieve stoornis, hersenatrofie, leuko-encefalopathie en vele andere stoornissen van het zenuwstelsel.