Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

Eerst dient de anamnese opgenomen te worden en medisch dos­sie­ron­der­zoek te worden verricht om de aard en de ernst van het traumatisch hersenletsel te bepalen (licht, matig of ernstig, volgens de ernstschalen in de DSM-5). Volgens de DSM-5 valt onder traumatisch hersenletsel onder meer een harde stoot tegen het hoofd of andere oorzaken van snelle bewegingen of verplaatsingen van de hersenen in de schedel, met een of meer van de volgende kenmerken: (1) be­wust­zijns­ver­lies; (2) post­trau­ma­ti­sche amnesie; (3) desoriëntatie en verwardheid; en (4) neurologische symptomen (bijvoorbeeld beeldvormend onderzoek toont letsel aan, een eerste optreden van convulsies, een duidelijke verslechtering van een reeds eerder bestaande con­vul­sie­stoor­nis; ge­zichts­veld­uit­val, anosmie of hemiparese). Om tot slot de koppeling te kunnen maken van een NCS met het traumatisch hersenletsel, dient de cognitieve achteruitgang tot uiting te komen direct nadat het traumatisch hersenletsel is opgetreden, of direct nadat de persoon in kwestie bij bewustzijn is gekomen, en tot na de acute periode na het letsel aan te houden. Een beoordeling van het medisch dossier moet onder meer het volgende inhouden: het huidige me­di­ca­tie­ge­bruik (bijvoorbeeld benzodiazepines, an­ti­cho­liner­gi­ca, narcotica tegen de pijn, sedativa en anti-epileptica), voor­ge­schie­de­nis van convulsies, la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoek naar het alcoholgehalte in het bloed, metabole problemen zoals nier- of le­ver­func­tie­stoor­nis­sen, en intoxicatie door of onttrekking van een middel.

Met behulp van een klinisch onderzoek en ge­stan­daar­di­seer­de neu­ro­psy­cho­lo­gi­sche tests gericht op de aandacht, de snelheid van het verwerken van informatie, het geheugen en de executieve vaardigheden wordt de patiënt beoordeeld op cognitieve beperkingen. Tijdens het opnemen van de anamnese stelt de clinicus vast of de cognitieve problemen onmiddellijk zijn gevolgd op het letsel door vragen te stellen over het tijdstip van de aanvang en de aard van de cognitieve problemen. Hoewel de cognitieve beperkingen bij posttraumatisch hersenletsel kunnen variëren, gaat het meestal om een verminderde aandacht (bijvoorbeeld moeite met het beantwoorden van vragen en het voltooien van taken, moeite met het multitasken, het niet kunnen volgen van gesprekken of het herhalen van vragen); disfuncties in het executieve vermogen (bijvoorbeeld moeite met het oplossen van problemen en de planning, ontremming, impulsiviteit, het onvermogen om iets met feedback te doen, en/of het onvermogen om een reeks opeenvolgende stappen voor complexe taken, bijvoorbeeld koken, correct uit te voeren); leer- en ge­heu­gen­pro­ble­men voor actuele informatie (bijvoorbeeld de naam van de onderzoeker noemen of vijf zojuist opgenoemde woorden herhalen); en een vertraagde ver­wer­kings­snel­heid (langer doen over taken of vertraagd reageren op vragen). Veranderingen in de persoonlijkheid komen ook vaak voor en omvatten een verminderde frus­tra­tie­to­le­ran­tie, prikkelbaarheid, impulsiviteit en het maken van ongepaste opmerkingen in sociale settings. Bij ernstig traumatisch hersenletsel worden de volgende beperkingen vaak gezien: afasie, ge­zichts­veld­uit­val, hemineglect, unilaterale inattentie en apraxie (het onvermogen om een doelgerichte activiteit uit te voeren, zoals tandenpoetsen).

Een clinicus bepaalt of de aard en de ernst van de huidige cognitieve achteruitgang aan de clas­si­fi­ca­tie­cri­te­ria voor een beperkte of uitgebreide NCS voldoet. Bij het vaststellen van de classificatie dienen twee factoren te worden overwogen. Ten eerste hangt de classificatie van een uitgebreide versus een beperkte NCS door traumatisch hersenletsel af van de omvang of ernst van de cognitieve achteruitgang ten opzichte van een eerder niveau van functioneren, en niet van de ernst van het traumatisch hersenletsel zelf. Met andere woorden: licht traumatisch hersenletsel kan leiden tot een uitgebreide NCS door traumatisch hersenletsel, als tenminste uit cognitieve onderzoeken blijkt dat er in de eerste weken tot maanden na het letsel sprake is van een aanzienlijke achteruitgang ten opzichte van een geschat vorig niveau van functioneren. Ten tweede kan het beloop van de cognitieve achteruitgang variëren in de tijd, waarbij een uitgebreide NCS kan veranderen in een beperkte NCS of zelfs helemaal verdwijnen. Dit komt doordat het natuurlijke verloop van de cognitieve veranderingen een verbetering, zo niet een volledig verdwijnen, van de symptomen impliceert. Behalve in het geval van ernstig traumatisch hersenletsel is het kenmerkend voor het beloop dat er binnen enkele weken tot drie maanden na het oplopen van licht traumatisch hersenletsel een volledige of substantiële verbetering plaatsvindt van de cognitieve, neurologische, per­soon­lijk­heids- en stem­mings­ver­an­de­rin­gen. Bij matig ernstig traumatisch hersenletsel gebeurt dat binnen een jaar. Voor mensen met matig tot ernstig traumatisch hersenletsel kunnen de cognitieve beperkingen langere tijd blijven bestaan en verder worden verergerd door neu­ro­fy­si­o­lo­gi­sche, emotionele en gedragsmatige complicaties. Het gaat dan onder meer om convulsies, vooral in het eerste jaar na het letsel, een vertraagde ontwikkeling bij kinderen, PTSS, depressiviteit, angst, licht­ge­voe­lig­heid, hyperacusis, prikkelbaarheid, slaap­stoor­nis­sen, vermoeidheid, lusteloosheid, en een onvermogen om weer aan het werk of naar school te gaan. Beperkingen in het sociale en beroepsmatige functioneren hebben verder een negatieve invloed op de in­ter­per­soon­lij­ke relaties en het functioneren binnen het gezin en het huwelijk. Daarom moet standaard een onderzoek naar de stemming worden uitgevoerd.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.