Temperament Negatieve affectiviteit (neuroticisme; de geneigdheid om negatieve emoties te ervaren), angstsensitiviteit (de geneigdheid om te geloven dat angstsymptomen gevaarlijk zijn), gedragsinhibitie, en leedvermijdend (harm avoidant) zijn, zijn risicofactoren voor het ontstaan van paniekaanvallen. Een voorgeschiedenis met ‘angstaanvallen’ (aanvallen met een beperkt aantal symptomen die niet volledig voldoen aan de criteria voor een paniekaanval) kan een risicofactor vormen voor het optreden van paniekaanvallen op latere leeftijd.
Omgeving Roken is een risicofactor voor paniekaanvallen. De meeste mensen beschrijven de aanwezigheid van herkenbare stressoren tijdens de maanden voorafgaand aan hun eerste paniekaanval (bijvoorbeeld interpersoonlijke stressoren en stressoren in verband met het lichamelijke welzijn, zoals negatieve ervaringen met drugs of medicatie, ziekte of een sterfgeval in de familie). Gescheiden worden van de ouders, overbezorgde ouders en afwijzing door ouders zijn risicofactoren voor paniekaanvallen.
Genetica en fysiologie Mensen met COPD die rapporteren dat zij weinig controle hebben over de ziekte en negatieve opvattingen hebben over de gevolgen van hun onvoorspelbare kortademigheid, hebben meer kans op panieksymptomen.