F63.3
CLASSIFICATIECRITERIA
ARecidiverend uittrekken van het eigen haar, met haarverlies als gevolg.
Betrokkenen kunnen haren uittrekken op elk lichaamsdeel. De meest voorkomende plekken zijn de hoofdhuid, de wenkbrauwen en de oogleden; minder vaak voorkomende plekken zijn de oksel, het gezicht, het schaamhaar en het perirectale gebied. Waar het haar precies wordt uitgetrokken kan variëren in de tijd, en het gedrag kan in korte episoden verspreid over de dag plaatsvinden of in minder frequente, maar langer aanhoudende perioden. Criterium A stelt dat het uittrekken van het haar moet leiden tot haarverlies, maar in tegenstelling tot in de DSM-IV vereist dit criterium niet langer dat de haaruitval ‘waarneembaar’ moet zijn. In feite kunnen mensen met trichotillomanie hun haar in een verspreid patroon uittrekken (dat wil zeggen, enkele haartjes verspreid over een lichaamsgebied), zodanig dat haarverlies misschien niet duidelijk zichtbaar is. Ook kunnen betrokkenen proberen om het haarverlies te verbergen of te camoufleren (bijvoorbeeld met make-up, een sjaaltje of een pruik).
BHerhaaldelijke pogingen om het haar uittrekken te stoppen.
Dit criterium vereist dat mensen met trichotillomanie tevergeefs proberen om controle te krijgen over hun gedrag, en het reflecteert de intense drang die aan dit gedrag ten grondslag ligt. Het criterium geeft ook nauwkeuriger weer wat veel mensen met de stoornis melden (namelijk dat ze geen spanning voelen voordat ze beginnen met het haar uittrekken of geen opluchting of voldoening ervaren na het uittrekken). Dit criterium vervangt de DSM-IV-criteria B (‘een toenemend gevoel van spanning vlak voor het uittrekken van het haar’) en C (‘lust, bevrediging of opluchting bij het uittrekken van het haar’). De reden daarvoor is dat er aanwijzingen zijn dat sommige mensen met trichotillomanie deze symptomen niet hebben en dat hun beeld daardoor voorheen niet in aanmerking kwam voor de classificatie.
CHet haar uittrekken veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Trichotillomanie hangt samen met lijdensdruk alsook met sociale en beroepsmatige beperkingen. De stoornis veroorzaakt significante gêne. Betrokkenen proberen te voorkomen dat zij in het bijzijn van anderen hun haren uittrekken en dat ze zich in situaties bevinden waarin de gevolgen van het haar uittrekken kunnen worden opgemerkt (bijvoorbeeld zwemmen of seksuele intimiteit). Ook proberen mensen met trichotillomanie hun kale plekken met pruiken of sjaals te camoufleren. Bovendien kan er onherstelbare schade ontstaan aan de haargroei en de kwaliteit van het haar. Niet vaak voorkomende somatische gevolgen van het gedrag zijn onder meer bloeduitstortingen in de vingers, letsel aan het bewegingsapparaat (bijvoorbeeld het carpaletunnelsyndroom of rug-, schouder- of nekpijn), blefaritis en gebitsschade (bijvoorbeeld versleten of gebroken tanden als gevolg van het op het haar bijten). Het inslikken van haren (trichofagie) kan tot een trichobezoar leiden, met als gevolg bloedarmoede, buikpijn, hematemesis, misselijkheid en braken, darmobstructie en zelfs darmperforatie.
DHet haar uittrekken of haarverlies kan niet worden toegeschreven aan een somatische aandoening (bijvoorbeeld een dermatologische aandoening).
De classificatie trichotillomanie mag niet worden toegekend wanneer het uittrekken of het verlies van haar het gevolg is van een somatische aandoening (bijvoorbeeld een ontsteking van de huid of andere dermatologische aandoeningen). Andere oorzaken van haarverlies zonder littekenvorming (bijvoorbeeld alopecia areata, alopecia androgenica of telogeen effluvium) of haarverlies met littekenvorming (bijvoorbeeld chronische discoïde lupus erythematodes, lichen planopilaris, centrale centrifugale alopecia cicatrisata, pseudopelade, folliculitis decalvans, dissecting folliculitis, of acne keloidea) moeten worden overwogen bij mensen met haaruitval die ontkennen dat zij hun haren uittrekken. Door middel van een huidbiopsie of dermatoscopie kan trichotillomanie gedifferentieerd worden van dermatologische aandoeningen.
EHet haar uittrekken kan niet beter worden verklaard door de symptomen van een andere psychische stoornis (zoals de pogingen om een vermeende misvorming of onvolkomenheid in het uiterlijk te verbeteren bij een morfodysfore stoornis).
Mensen met een morfodysfore stoornis verwijderen soms lichaamshaar als zij dat als lelijk of abnormaal beschouwen. Mensen met OCS trekken hun haren uit als onderdeel van hun symmetrierituelen. Het uittrekken van haren kan voldoen aan de definitie van stereotiepe gedragingen (zoals bij de stereotiepebewegingsstoornis), maar de classificatiecriteria voor de stereotiepe-bewegingsstoornis sluiten symptomen uit die beter verklaard kunnen worden door trichotillomanie. Mensen met een psychose kunnen haren verwijderen in reactie op wanen of hallucinaties. In dergelijke gevallen mag de classificatie trichotillomanie niet worden toegekend. Hoewel de symptomen van het haar uittrekken kunnen worden verergerd door het gebruik van bepaalde middelen, zoals stimulantia, is het niet duidelijk of middelengebruik de primaire oorzaak kan zijn van terugkerend haaruittrekgedrag.