NCS door de ziekte van Alzheimer ontwikkelt zich geleidelijk, soms met plateaufasen, tot ernstige dementie, gevolgd door overlijden. De gemiddelde overleving na toekenning van de classificatie is ongeveer tien jaar, wat meer met de gevorderde leeftijd van de betrokkenen samenhangt dan met het beloop van de ziekte; sommige mensen kunnen wel twintig jaar lang met de ziekte leven. Mensen in het laatste stadium worden uiteindelijk mutistisch en zijn aan bed gebonden. Mensen die zo lang leven dat de ziekte zijn volledige beloop kan hebben, overlijden meestal aan aspiratie. Bij de beperkte NCS door de ziekte van Alzheimer nemen de beperkingen in de loop van de tijd toe en gaat de functionele status geleidelijk achteruit, tot de symptomen de drempelwaarde voor de diagnose uitgebreide NCS bereiken.
De symptomen beginnen meestal in de leeftijd van 70–89 jaar; vormen waarbij het begin vroeg is worden gezien in de leeftijd van 40–59 jaar en hangen vaak, maar niet altijd, samen met bekende causale genmutaties. Er zijn weinig opvallende verschillen in symptomen en pathologie voor de uiteenlopende beginleeftijden. Jongere mensen zullen echter vaker het volledige beloop van de ziekte doormaken, terwijl oudere mensen dikwijls verschillende comorbide somatische aandoeningen hebben die het beloop en de behandeling van de ziekte beïnvloeden. De diagnostische complexiteit is groter bij ouderen, omdat er vaker comorbide somatische aandoeningen zijn en een gemengde pathologie. De beginleeftijd, snelheid van de cognitieve achteruitgang en overlevingscijfers blijken per etnische groep te variëren. Vergeleken met witte Amerikanen kunnen Latijns-Amerikanen in de Verenigde Staten tot vier jaar eerder symptomen van de ziekte van Alzheimer ontwikkelen, en verloopt de cognitieve achteruitgang bij Afro-Amerikanen doorgaans langzamer. Beide achtergestelde groepen hebben mogelijk een langere overlevingsperiode.