Mensen met een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis kunnen moeite hebben om hun symptomen te beschrijven en kunnen denken dat ze ‘gek zijn’ of ‘gek worden’. Een andere veelvoorkomende ervaring is vrees voor een onomkeerbare her­sen­be­scha­di­ging. Een frequent bijkomend symptoom is een subjectief veranderd tijdsgevoel (te snel of te langzaam), naast subjectieve moeite met het terughalen van oude herinneringen en moeite met deze herinneringen te herkennen als persoonlijk en emotioneel van aard. Vage lichamelijke klachten, zoals het gevoel een vol hoofd te hebben, tintelingen of duizeligheid, zijn niet ongewoon. De betrokkenen kunnen extreem rumineren of dwangmatige preoccupaties hebben (ze zijn bijvoorbeeld voortdurend in beslag genomen door de vraag of ze werkelijk bestaan, of controleren hun waarnemingen om te bepalen of deze echt zijn). Uiteenlopende niveaus van angst en somberheid komen ook veel voor als bijkomend kenmerk. Mensen met de stoornis vertonen een fysiologische hy­po­re­ac­ti­vi­teit bij emotionele prikkels. Relevante neurale substraten zijn onder andere de hypothalamus-hypofyse-bijnier-as, de lobulus parietalis inferior en de prefrontale cor­ti­co­lim­bi­sche circuits.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.