Ziek­te­angst­stoor­nis Mensen met een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis kunnen weliswaar vage somatische klachten hebben, naast vrees voor permanent hersenletsel, maar de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis wordt gekenmerkt door een aantal kenmerkende de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men en de afwezigheid van andere manifestaties van de ziek­te­angst­stoor­nis.

Depressieve stoornis Gevoelloosheid, het gevoel uitgeblust te zijn, lusteloosheid en het gevoel hebben zich in een droomwereld te bevinden, komen geregeld voor bij de depressieve stoornis. Bij de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis hangen dergelijke klachten echter samen met andere symptomen van de stoornis. Als de de­per­so­na­li­sa­tie/derealisatie duidelijk voorafgaat aan een depressieve episode, of aanhoudt nadat deze voorbij is, is de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis van toepassing.

Obsessieve-compulsieve stoornis Sommige mensen met een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis kunnen op een obsessieve manier gepreoccupeerd raken met hun subjectieve ervaring, of rituelen ontwikkelen waarbij ze voortdurend de toestand van hun symptomen controleren. Andere symptomen van de ob­ses­sie­ve­com­pul­sie­ve stoornis die niet gerelateerd zijn aan de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis, zijn echter niet aanwezig.

Andere dissociatieve stoornissen Om de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis te kunnen toekennen, mogen de symptomen zich niet voordoen in de context van een andere dissociatieve stoornis, zoals DIS. Het is gemakkelijker om de stoornis te onderscheiden van dissociatieve amnesie en de functioneel-neurologisch-symp­toom­stoor­nis (con­ver­sie­stoor­nis), aangezien de symptomen van deze stoornissen niet overlappen met die van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis.

Paniekaanvallen De­per­so­na­li­sa­tie/derealisatie is een van de symptomen van paniekaanvallen, vooral naarmate de ernst van de paniekaanval groter wordt. Daarom mag de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis niet worden toegekend wanneer de symptomen zich uitsluitend voordoen tijdens paniekaanvallen die deel uitmaken van een paniekstoornis, een sociale-angststoornis of een specifieke fobie. Bovendien komt het geregeld voor dat de symptomen van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis voor het eerst opkomen in de context van nieuwe paniekaanvallen, of wanneer de paniekstoornis zich verder ontwikkelt en verslechtert. Bij dergelijke ziektebeelden kan de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis worden toegekend als (1) de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­com­po­nent van het ziektebeeld vanaf het begin heel opvallend is, en in duur en intensiteit het voorkomen van de paniekaanvallen te boven gaat; of als (2) de de­per­so­na­li­sa­tie/derealisatie aanhoudt nadat de paniekstoornis is afgenomen, of met succes is behandeld.

Psychotische stoornissen Een intact realiteitsbesef, in het bijzonder voor de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men, is essentieel om de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis te onderscheiden van psychotische stoornissen. Als er nihilistische wanen aanwezig zijn, kan het soms heel lastig zijn om te bepalen of de classificatie schizofrenie met positieve symptomen van toepassing is. Iemand kan er bijvoorbeeld over klagen dat hij of zij dood is of dat de wereld niet echt is; dat kan hetzij een subjectieve ervaring zijn waarvan de betrokkene weet dat deze niet waar is, hetzij een waandenkbeeld.

Stoornissen door een middel/medicatie De­per­so­na­li­sa­tie/derealisatie die samenhangt met de fysiologische effecten van middelen gedurende een acute intoxicatie of onttrekking, krijgt niet de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis. De meest voorkomende luxerende middelen zijn de drugs cannabis, hallucinogenen, ketamine, xtc en salie (salvia). Bij ongeveer 15% van alle gevallen van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis worden de symptomen voorafgegaan door inname van dergelijke middelen. Als de symptomen enige tijd aanhouden in afwezigheid van verder middelen- of me­di­ca­tie­ge­bruik, is de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis van toepassing. Deze classificatie is meestal gemakkelijk vast te stellen doordat de overgrote meerderheid van de mensen met dit ziektebeeld zeer fobisch wordt voor het luxerende middel, er een grote aversie tegen ontwikkelt en het niet nogmaals gebruikt.

Traumatisch hersenletsel De­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men zijn een kenmerk van traumatisch hersenletsel, maar dit is van een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis te onderscheiden doordat de symptomen na het traumatisch hersenletsel ontstaan en doordat andere symptomen van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis ontbreken.

Dissociatieve symptomen door een somatische aandoening Kenmerken zoals een begin na het 40ste jaar of de aanwezigheid van atypische symptomen, en een ongewoon beloop, kunnen wijzen op een onderliggende somatische aandoening. In gevallen met dissociatieve symptomen is het essentieel om een grondig intern en neurologisch onderzoek te doen, inclusief de standaard la­bo­ra­to­ri­um­on­der­zoe­ken, virustiters, een elektro-encefalogram, vestibulair onderzoek, onderzoek van het ge­zichts­ver­mo­gen, slaaponderzoek en/of beeldvormend onderzoek van de hersenen. Als het vermoeden van een onderliggende con­vul­sie­stoor­nis lastig te bevestigen is, kan een ambulant elektro-encefalogram aangewezen zijn. Meestal gaat het om temporale epilepsie, maar er kan ook sprake zijn van pariëtale of frontale epilepsie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.