De hoofdkenmerken van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis zijn aanhoudende of herhaalde episoden van de­per­so­na­li­sa­tie, derealisatie of beide. Episoden van de­per­so­na­li­sa­tie worden gekenmerkt door een gevoel van onwerkelijkheid of vervreemding van, of onbekendheid met, het eigen zelf of van aspecten van het zelf (criterium A1). De betrokkene kan zich vervreemd voelen van zijn of haar hele wezen (bijvoorbeeld ‘Ik ben niemand’, ‘Ik heb geen zelf’). Hij of zij kan zich ook subjectief vervreemd voelen van aspecten van het zelf, waaronder gevoelens (zoals anesthesie van het gevoelsleven: ‘Ik weet dat ik gevoelens heb, maar ik voel ze niet’), gedachten (bijvoorbeeld ‘Ik heb het gevoel dat mijn gedachten niet van mij zijn’, ‘Mijn hoofd zit vol watten’), het hele lichaam of lichaamsdelen, of zintuiglijke gewaarwordingen (zoals de tastzin, proprioceptie, honger, dorst, libido). Er kan ook sprake zijn van een verminderd gevoel van zelfcontrole (zoals het gevoel een robot te zijn, als een automaat; gebrek aan controle over de spraak en bewegingen). Soms voelt de ervaring van de­per­so­na­li­sa­tie alsof het zelf in tweeën is gesplitst, waarbij één deel observeert en het andere handelt, wat in zijn extreemste vorm ook wel bekendstaat als ‘uittreding’. Het centrale symptoom van de­per­so­na­li­sa­tie bestaat uit verschillende factoren: abnormale lichamelijke ervaringen (onwerkelijkheid van het zelf en per­cep­tie­ver­an­de­rin­gen); emotionele of lichamelijke verdoofdheid; en stoornissen in de tijdservaring met abnormale subjectieve herinneringen.

Episoden van derealisatie worden gekenmerkt door een gevoel van onwerkelijkheid of vervreemding van, of onbekendheid met de wereld, of het nu om mensen, levenloze voorwerpen of de hele omgeving gaat (criterium A2). De betrokkene kan het gevoel hebben alsof hij of zij zich in de mist, een droom of een luchtbel bevindt, of alsof er een sluier of glazen wand zit tussen hem of haar en de omringende wereld. De omgeving kan als kunstmatig, kleurloos of levenloos ervaren worden. Derealisatie gaat meestal samen met visuele dispercepties, zoals vaagheid, grotere scherpte, een verbreed of vernauwd gezichtsveld, twee­di­men­si­o­na­li­teit of platheid, overdreven drie­di­men­si­o­na­li­teit, of een veranderde afstand of afmeting van voorwerpen (macropsie of micropsie). Auditieve dispercepties kunnen ook voorkomen, waarbij stemmen of geluiden gedempt of versterkt worden. Bovendien vereist criterium C dat de symptomen klinisch significante lijdensdruk veroorzaken, of beperkingen in het functioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of op een ander belangrijk levensgebied, en beschrijven criteria D en E classificaties die uitgesloten moeten worden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.