Dissociatieve symptomen die het gevolg zijn van een somatische aandoening
Hebben als vereiste de aanwezigheid van een somatische aandoening in de etiologie, zoals epilepsie; hierbij zou de classificatie ‘andere gespecificeerde psychische stoornis door een somatische aandoening’ moeten worden toegekend. De classificatie depersonalisatie-/derealisatiestoornis wordt niet toegekend wanneer de symptomen volledig het gevolg zijn van de directe fysiologische effecten van een somatische aandoening op het centrale zenuwstelsel.
Intoxicatie door een middel of onttrekkingssyndroom van een middel
Heeft als mogelijk kenmerk dissociatieve symptomen naast de andere symptomen van een intoxicatie door of onttrekking van een middel. De meest voorkomende luxerende middelen zijn: cannabis, hallucinogenen, ketamine, xtc en salie (salvia). Depersonalisatie-/derealisatiesymptomen die zijn toe te schrijven aan de fysiologische effecten van een middel tijdens een acute intoxicatie of een acuut onttrekkingssyndroom, krijgen niet de classificatie depersonalisatie-/derealisatiestoornis. Het is echter wel mogelijk dat de symptomen van een eerder aanwezige depersonalisatie-/derealisatiestoornis door het middel zijn geïntensiveerd. De differentiële classificatie steunt daarom op een zorgvuldige afweging van de temporele relatie tussen het gebruik van het middel en de depersonalisatie-/derealisatiesymptomen.
Dissociatieve identiteitsstoornis
Heeft als mogelijk kenmerk symptomen van depersonalisatie of derealisatie naast een pervasieve discontinuïteit in de zelfbeleving en het gevoel van zelfcontrole. De classificatie depersonalisatie-/derealisatiestoornis wordt niet toegekend als de symptomen beter kunnen worden verklaard door de dissociatieve identiteitsstoornis.
Paniekaanvallen
Hebben als mogelijk kenmerk symptomen van depersonalisatie of derealisatie naast de andere symptomen van een paniekaanval. De symptomen van een paniekaanval hebben een plotseling begin en bereiken binnen enkele minuten een piek. Daarentegen duren episoden van depersonalisatie of derealisatie bij de depersonalisatie-/derealisatiestoornis doorgaans uren, weken of maanden. De classificatie depersonalisatie-/derealisatiestoornis wordt niet toegekend als de symptomen alleen tijdens een paniekaanval optreden.
Posttraumatische-stressstoornis of acute stressstoornis
Heeft als mogelijk kenmerk dissociatieve symptomen die optreden in reactie op blootstelling aan een psychotraumatische stressor (wat bij de classificatie posttraumatische-stressstoornis moet worden aangeduid met de specificatie ‘met dissociatieve symptomen’); de classificatie depersonalisatie-/derealisatiestoornis wordt niet toegekend als de symptomen beter kunnen worden verklaard door de posttraumatische-stressstoornis of de acute stressstoornis.
Psychotische stoornis (bijvoorbeeld schizofrenie)
Heeft als mogelijk kenmerk wanen waarbij de betrokkene ervan overtuigd is dat hij of zij dood is of dat de wereld niet echt is. Daar staat tegenover dat het realiteitsbesef over de depersonalisatie/derealisatie bij de depersonalisatie-/derealisatiestoornis intact is (iemand weet bijvoorbeeld dat hij of zij niet echt dood is en dat de wereld echt is).
Depressieve stoornis
Heeft als mogelijk kenmerk gevoelens van emotionele vervlakking, uitgeblust zijn, lusteloosheid en het gevoel zich in een droomwereld te bevinden, naast de andere kenmerkende symptomen van depressiviteit bij depressieve episoden. Bij de depersonalisatie-/derealisatiestoornis gaan de gevoelens van emotionele vervlakking gepaard met andere bij de stoornis horende symptomen (bijvoorbeeld een gevoel vervreemd te zijn van zichzelf) en deze treden op wanneer de betrokkene niet depressief is.
‘Normale’ symptomen van depersonalisatie of derealisatie
Zijn kortstondig aanwezig en er is geen sprake van significante beperkingen of lijdensdruk. Ongeveer de helft van alle volwassenen heeft minstens eenmaal in het leven een episode met depersonalisatie/derealisatie. Symptomen van depersonalisatie/derealisatie die volledig aan de criteria voor de classificatie voldoen, komen veel minder vaak voor en hebben een levenslange prevalentie van ongeveer 2%.