De gemiddelde leeftijd waarop de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis begint, is 16 jaar, maar de stoornis kan in de vroege of mid­den­kin­der­tijd beginnen; een minderheid van de betrokkenen kan zich geen moment herinneren waarop ze de symptomen niet hadden. Bij minder dan 20% van de betrokkenen begint de stoornis na het 20ste levensjaar, en bij slechts 5% na het 25ste levensjaar. Het is heel ongewoon als het begin na het 30ste levensjaar ligt. Het begin van de stoornis kan heel plotseling komen, of de stoornis kan zich geleidelijk ontwikkelen. De duur van de episoden van de de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis kan sterk variëren, van kort (uren tot dagen) tot lang (weken, maanden of jaren). Omdat het zelden voorkomt dat de stoornis na het 40ste levensjaar begint, moet een betrokkene in die leef­tijds­ca­te­go­rie extra zorgvuldig onderzocht worden op somatische aandoeningen (zoals hersenlaesies, con­vul­sie­stoor­nis­sen, slaap­ap­neu­syn­droom). Het beloop van de stoornis is vaak hardnekkig van aard. Ongeveer een derde van de gevallen betreft afzonderlijke episoden; bij een derde is er vanaf het begin sprake van continue symptomen; en nog eens een derde kent aanvankelijk een episodisch beloop, dat geleidelijk continu van aard wordt.

De intensiteit van de symptomen kan bij sommige mensen een sterk wisselend beloop hebben, terwijl anderen een stabiel in­ten­si­teits­ni­veau rapporteren, dat in extreme gevallen jaren of decennia achtereen aanwezig kan zijn. Interne en externe factoren die de symp­toom­in­ten­si­teit beïnvloeden, variëren per persoon, maar er is ook een aantal karakteristieke patronen beschreven. De stoornis kan verergeren door stress, een verslechtering in de stemming of angstsymptomen, een nieuwe of overprikkelende setting, en fysieke factoren, zoals verlichting of slaapgebrek.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.