Temperament Mensen met een depersonalisatie-/derealisatiestoornis hebben een leedvermijdend (harm avoidant) temperament, onrijpe afweermechanismen en zowel disconnectie- als overconnectieschema’s. Onrijpe afweermechanismen, zoals idealiseren-devalueren, projecteren en ageren, leiden tot ontkenning van de realiteit en een slecht aanpassingsvermogen. Cognitieve disconnectieschema’s hebben betrekking op gevoelens van tekortschieten en emotionele geremdheid, en omvatten thema’s als mishandeling, verwaarlozing en deprivatie. Overconnectieschema’s hebben betrekking op gebrek aan autonomie, met thema’s als afhankelijkheid, kwetsbaarheid en incompetentie.
Omgeving Bij een aanzienlijk deel van de betrokkenen is er een duidelijke samenhang tussen de stoornis en interpersoonlijke psychotrauma’s in de kindertijd, maar deze samenhang komt niet zo vaak voor en is niet zo extreem als de aard van de psychotrauma’s bij andere dissociatieve stoornissen, zoals DIS. In het bijzonder hangen emotionele mishandeling en emotionele verwaarlozing het sterkst en het meest consistent samen met de stoornis. Andere stressoren zijn lichamelijke mishandeling; getuige zijn van huiselijk geweld; opgroeien bij een ernstig beperkte, psychisch zieke ouder; of een onverwacht sterfgeval of een suïcide van een familielid of goede vriend. Seksueel misbruik gaat minder vaak vooraf aan de stoornis, maar kan voorkomen. De meest voorkomende proximale luxerende factoren van de stoornis zijn ernstige stress (interpersoonlijke, financiële, beroepsmatige), depressie, angst (in het bijzonder paniekaanvallen) en illegaal drugsgebruik. De symptomen kunnen specifiek door middelen als tetrahydrocannabinol, hallucinogenen, ketamine, 3,4-methyleendioxymethamfetamine (MDMA, ofwel xtc) en salie (salvia) worden veroorzaakt. Cannabisgebruik kan tegelijkertijd voor het eerst optredende paniekaanvallen en depersonalisatie-/derealisatiesymptomen luxeren.