De­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis

De­per­so­na­li­za­ti­on/derealization disorder

F48.1

CLASSIFICATIECRITERIA

ADe aanwezigheid van persisterende of recidiverende ervaringen van de­per­so­na­li­sa­tie, derealisatie, of beide:

1De­per­so­na­li­sa­tie Ervaringen van onwerkelijkheid, vervreemding, of alsof de betrokkene zichzelf van buitenaf waarneemt, met betrekking tot de eigen gedachten, gevoelens, gewaarwordingen, het eigen lichaam of de eigen handelingen (zoals per­cep­tie­ver­an­de­rin­gen, een verstoord tijdgevoel, een onechte of afwezige zelfbeleving, emotionele en/of lichamelijke gevoelloosheid).

2Derealisatie Ervaringen van onwerkelijkheid of vervreemding met betrekking tot de omgeving (mensen of voorwerpen worden bijvoorbeeld ervaren als onecht, als in een droom, wazig, levenloos of visueel vervormd).

BGedurende de ervaring van de­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie blijft het realiteitsbesef intact.

Criterium A vereist de aanwezigheid van aanhoudende of terugkerende ervaringen van de­per­so­na­li­sa­tie en/of derealisatie. De­per­so­na­li­sa­tie houdt het gevoel in los te staan van zichzelf of de omgeving, alsof men een externe waarnemer is (bijvoorbeeld in een ‘dromerige’ toestand). Een betrokkene kan zich afgesneden voelen van zijn of haar gedachten, emoties of identiteit, terwijl iemand anders zich een robot of automaat voelt. Derealisatie produceert een gevoel van onwerkelijkheid of vervreemding ten opzichte van iemands omgeving.

Volgens criterium B dient de betrokkene niet psychotisch te zijn of het contact met de werkelijkheid te hebben verloren, ondanks de vreemde gedachten en gevoelens die hij of zij ervaart. Een intact realiteitsbesef sluit de mogelijkheid van een psychotische stoornis uit.

De classificatie vereist de aanwezigheid van lijdensdruk of beperkingen in het functioneren (criterium C). De symptomen kunnen zeer verontrustend zijn; het affectief afgevlakte en robotachtige gedrag dat wordt waargenomen bij sommige betrokkenen komt mogelijk niet overeen met de extreme emotionele pijn die zij melden. Mensen met een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis ervaren zowel op het in­ter­per­soon­lij­ke als het beroepsmatige vlak vaak beperkingen, die grotendeels te wijten zijn aan het gevoel van hypo-emotionaliteit. Anderen hebben subjectieve moeite met het zich concentreren op en vasthouden van informatie, en ervaren een algemeen gevoel van afgesneden zijn van het leven.

CDe symptomen veroorzaken klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Criterium A vereist de aanwezigheid van aanhoudende of terugkerende ervaringen van de­per­so­na­li­sa­tie en/of derealisatie. De­per­so­na­li­sa­tie houdt het gevoel in los te staan van zichzelf of de omgeving, alsof men een externe waarnemer is (bijvoorbeeld in een ‘dromerige’ toestand). Een betrokkene kan zich afgesneden voelen van zijn of haar gedachten, emoties of identiteit, terwijl iemand anders zich een robot of automaat voelt. Derealisatie produceert een gevoel van onwerkelijkheid of vervreemding ten opzichte van iemands omgeving.

Volgens criterium B dient de betrokkene niet psychotisch te zijn of het contact met de werkelijkheid te hebben verloren, ondanks de vreemde gedachten en gevoelens die hij of zij ervaart. Een intact realiteitsbesef sluit de mogelijkheid van een psychotische stoornis uit.

De classificatie vereist de aanwezigheid van lijdensdruk of beperkingen in het functioneren (criterium C). De symptomen kunnen zeer verontrustend zijn; het affectief afgevlakte en robotachtige gedrag dat wordt waargenomen bij sommige betrokkenen komt mogelijk niet overeen met de extreme emotionele pijn die zij melden. Mensen met een de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis ervaren zowel op het in­ter­per­soon­lij­ke als het beroepsmatige vlak vaak beperkingen, die grotendeels te wijten zijn aan het gevoel van hypo-emotionaliteit. Anderen hebben subjectieve moeite met het zich concentreren op en vasthouden van informatie, en ervaren een algemeen gevoel van afgesneden zijn van het leven.

DDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie) of aan een somatische aandoening (zoals convulsies).

De­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie kunnen worden veroorzaakt door het gebruik van middelen (bijvoorbeeld marihuana of hallucinogenen) of door een somatische stoornis (criterium D). Wanneer de symptomen zich pas na de leeftijd van 40 jaar voordoen, is er mogelijk sprake van een onderliggende somatische aandoening, bijvoorbeeld een con­vul­sie­stoor­nis, hersentumor of beroerte. Van complexe partiële convulsies is bekend dat ze de­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie veroorzaken, maar deze symptomen zijn zeldzaam.

De de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis moet worden onderscheiden van andere psychische stoornissen die samenhangen met deze symptomen (criterium E). Symptomen van de­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie kunnen optreden bij mensen met schizofrenie, maar dit gebeurt in het kader van hallucinaties en wanen. Sommige mensen met een depressieve stoornis ervaren gevoelloosheid of hebben het gevoel dat ze emotioneel dood zijn vanbinnen, maar deze gevoelens komen alleen voor tijdens een stem­mingsepi­so­de. Mensen met een paniekstoornis kunnen deze symptomen eveneens ervaren, maar ze treden alleen op tijdens paniekaanvallen en zijn niet chronisch. De­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men kunnen ook bij andere dissociatieve stoornissen voorkomen, en in dat geval wordt de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis niet toegekend.

EDe stoornis kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis, zoals schizofrenie, een paniekstoornis, een depressieve stoornis, een acute stressstoornis, een post­trau­ma­ti­sche-stressstoornis of een andere dissociatieve stoornis.

De­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie kunnen worden veroorzaakt door het gebruik van middelen (bijvoorbeeld marihuana of hallucinogenen) of door een somatische stoornis (criterium D). Wanneer de symptomen zich pas na de leeftijd van 40 jaar voordoen, is er mogelijk sprake van een onderliggende somatische aandoening, bijvoorbeeld een con­vul­sie­stoor­nis, hersentumor of beroerte. Van complexe partiële convulsies is bekend dat ze de­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie veroorzaken, maar deze symptomen zijn zeldzaam.

De de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis moet worden onderscheiden van andere psychische stoornissen die samenhangen met deze symptomen (criterium E). Symptomen van de­per­so­na­li­sa­tie en derealisatie kunnen optreden bij mensen met schizofrenie, maar dit gebeurt in het kader van hallucinaties en wanen. Sommige mensen met een depressieve stoornis ervaren gevoelloosheid of hebben het gevoel dat ze emotioneel dood zijn vanbinnen, maar deze gevoelens komen alleen voor tijdens een stem­mingsepi­so­de. Mensen met een paniekstoornis kunnen deze symptomen eveneens ervaren, maar ze treden alleen op tijdens paniekaanvallen en zijn niet chronisch. De­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­symp­to­men kunnen ook bij andere dissociatieve stoornissen voorkomen, en in dat geval wordt de classificatie de­per­so­na­li­sa­tie-/de­re­a­li­sa­tie­stoor­nis niet toegekend.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.