De persisterende-rouwstoornis is een langdurige, maladaptieve rouwreactie die pas kan worden vastgesteld nadat twaalf maanden (zes maanden bij kinderen en adolescenten) zijn verstreken na het overlijden van een persoon met wie de nabestaande een hechte band had (criterium A). Hoewel dit tijdsbestek op betrouwbare wijze normale rouw kan onderscheiden van rouw die langer ernstig en ontregelend blijft, kan de duur van adaptieve rouw per persoon en in verschillende culturen uiteenlopen. Bij deze aandoening is sprake van een persisterende rouwreactie die wordt gekenmerkt door een intens kwellend verlangen naar de overledene (vaak met intens verdriet en frequent huilen) of door een preoccupatie met gedachten of herinneringen aan de overledene, hoewel deze preoccupatie bij kinderen en adolescenten ook de omstandigheden rond de dood kan betreffen. Het intens kwellende verlangen of de preoccupatie is de meeste dagen in klinisch significante mate aanwezig geweest en is in de afgelopen maand bijna dagelijks voorgekomen (criterium B). Sinds het overlijden zijn daarnaast, op de meeste dagen en in klinisch significante mate, drie bijkomende symptomen aanwezig geweest, en deze traden in elk geval in de afgelopen maand bijna elke dag op. Deze symptomen zijn: verwarring over de eigen identiteit sinds het overlijden (bijvoorbeeld het gevoel alsof een deel van zichzelf is overleden) (criterium C1); een duidelijk gevoel van ongeloof over het overlijden (criterium C2); vermijding van zaken die eraan doen denken dat de persoon is overleden, hetgeen zich bij kinderen en adolescenten kan manifesteren doordat zij actief moeite doen om deze zaken uit de weg te gaan (criterium C3); intense emotionele pijn (bijvoorbeeld boosheid, verbittering, verdriet) sinds het overlijden (criterium C4); moeite om na het overlijden persoonlijke relaties en activiteiten weer op te pakken (bijvoorbeeld moeite om contact te onderhouden met vrienden, interesses te volgen of plannen voor de toekomst te maken) (criterium C5); emotionele verdoofdheid (afwezigheid of duidelijke vermindering van emotionele belevingen) als gevolg van het overlijden (criterium C6); het gevoel dat het leven zinloos is als gevolg van het overlijden (criterium C7); of intense eenzaamheid als gevolg van het overlijden (criterium C8).
De symptomen van de persisterende-rouwstoornis moeten bij de nabestaande klinisch significante lijdensdruk veroorzaken, of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (criterium D). De aard, duur en ernst van de rouwreactie na het overlijden overstijgen duidelijk de verwachte sociale, culturele of religieuze normen van de cultuur en omgeving van de betrokkene (criterium E). Hoewel rouw zich op verschillende manieren kan uiten, komen de symptomen van de persisterende-rouwstoornis bij alle genders en binnen diverse sociale en culturele groepen voor.