Er zijn weinig gegevens over het levenslange beloop van de persisterende-rouwstoornis. De symptomen beginnen doorgaans in de eerste maanden na het overlijden, maar mogelijk duurt het enige tijd voordat het volledige syndroom zich ontwikkelt. Preliminaire onderzoeksgegevens wijzen erop dat het beloop vooral veel langduriger kan zijn onder ouders na het overlijden van een kind. Een comorbide posttraumatische-stressstoornis kan het beloop van de persisterende-rouwstoornis compliceren, en deze stoornis komt mogelijk vaker voor bij rouw na een gewelddadige dood van een dierbare (bijvoorbeeld door moord of suïcide), waarbij de betrokkene zelf gevaar heeft gelopen, getuige is geweest van de gewelddadige en mogelijk gruwelijke dood van de dierbare, of diens stoffelijk overschot gevonden heeft. Op hogere leeftijd bestaat misschien een verhoogde kans om de stoornis te ontwikkelen na het overlijden van een dierbare. Oudere volwassenen met symptomen van een persisterende-rouwstoornis hebben mogelijk een verhoogd risico op een progressieve cognitieve achteruitgang. Bij kinderen kan de lijdensdruk tot uiting komen in spel en gedrag, regressie in de ontwikkeling en angstig of protesterend gedrag bij afscheid nemen en herenigd worden. De symptomen van de persisterende-rouwstoornis kunnen door jonge kinderen vanwege hun leeftijd anders ervaren worden. Het verlies van een primaire verzorger kan voor jonge kinderen bijzonder traumatiserend zijn, gezien de ontregelende effecten van de afwezigheid van een verzorger. Jonge kinderen kunnen protesteren of boos worden als de dagelijkse verzorging op een andere manier wordt aangepakt dan de overledene het deed (zoals koken, regels handhaven, rituelen rondom het slapengaan). Kinderen kunnen een grote onzekerheid over de toekomst uiten, vaak uitgedrukt als zorgen over de gezondheid en veiligheid van de verzorgers en het kind zelf, met herhaaldelijke vragen over de dood. Mogelijk gaan ze op zoek naar de overledene omdat ze niet begrijpen dat de dood definitief is. Bij jonge kinderen treden eerder somatische verschijnselen op, zoals een verstoring van de slaap, het eten, de spijsvertering en het energieniveau. In gedachten en spel kunnen zij hun verlangen naar de overledene tot uitdrukking brengen, letterlijk als wens om de pijnlijke fysieke scheiding op te heffen en weer bij de overledene te zijn (bijvoorbeeld door een trap naar de hemel te beklimmen of in de grond naast de ouder te liggen). Jonge kinderen begrijpen doorgaans niet wat verdoofdheid betekent en beschrijven dit niet, maar adolescenten kunnen wel zeggen dat zij ‘niets voelen’.
Bij kinderen en adolescenten kan de voortdurende preoccupatie met de omstandigheden van het overlijden betekenen dat zij vooral gericht zijn op de aangrijpende aspecten van de lichamelijke achteruitgang in het beloop van een dodelijke ziekte en/of het onvermogen van een verzorger om essentiële zorgtaken uit te voeren. Verwarring over de eigen identiteit houdt bijvoorbeeld in: zich totaal anders voelen dan anderen, vaak als reactie op zaken die aan het verlies herinneren (bijvoorbeeld op school kaarten voor Moederdag maken, zien dat een vriend samen met zijn broer een hobby beoefent). Kinderen en adolescenten kunnen verbaal, door hun gedrag of doordat zij zich emotioneel terugtrekken laten zien dat zij liever niet deelnemen aan activiteiten die voor volwassenen als herdenking fungeren. Zij kunnen een intense emotionele pijn ervaren en zich ‘beroofd’ voelen van de hulp van de overledene bij verdere ontwikkelingstaken (bijvoorbeeld de eerste menstruatie). Bij jongere kinderen kan separatieangst op de voorgrond staan; bij oudere kinderen en adolescenten kan steeds meer sprake zijn van lijdensdruk door verwarring over de sociale identiteit (bijvoorbeeld welke levensdoelen men moet nastreven) en een risico op comorbide depressiviteit.
Wanneer kinderen en jongeren hun levensrollen niet oppakken, betekent dit dat zij er niet in slagen de bij de leeftijd passende mijlpalen te behalen en overgangen te maken. Bij oudere kinderen en adolescenten kan het gevoel dat het leven zonder de overledene betekenisloos is ertoe leiden dat zij ontwikkelingsdoelen opgeven (‘Proberen heeft geen zin als hij/zij er toch niet bij kan zijn’), niets geven om risicovol gedrag (‘Dan raak ik maar gewond of ga ik maar dood. Nou en?’), of het gevoel hebben dat hun toekomst is ‘verpest’. Oudere kinderen en adolescenten kunnen bang zijn dat hun een vergelijkbaar lot treft als de overledene, waaronder vroegtijdig overlijden. De eenzaamheid kan nog verhevigen als het kind of de adolescent het verdriet voor zich houdt omdat hij of zij de rouwende verzorger niet extra wil belasten of ervan uitgaat dat leeftijdgenoten hem of haar zullen veroordelen.