Genetica en fysiologie De schizotypische-persoonlijkheidsstoornis aggregeert in families, en de prevalentie ervan is hoger onder eerstegraadsfamilieleden van mensen met schizofrenie dan in de algemene bevolking. Bij familieleden van mensen met een schizotypische-persoonlijkheidsstoornis is er mogelijk een bescheiden verhoging in de prevalentie van schizofrenie en andere psychotische stoornissen. Uit tweelingonderzoek blijkt dat er zeer stabiele genetische factoren en minder stabiele omgevingsfactoren zijn voor een verhoogd risico op het schizotypische syndroom. Ook blijkt hieruit een verband tussen genetische risicovarianten voor schizofrenie en de schizotypische-persoonlijkheidsstoornis. Bij beeldvormend hersenonderzoek bleken er verschillen op groepsniveau in de grootte en functie van specifieke hersengebieden bij mensen met een schizotypische-persoonlijkheidsstoornis in vergelijking met gezonde personen, mensen met schizofrenie, en mensen met andere persoonlijkheidsstoornissen.