Andere psychische stoornissen met psy­cho­se­symp­to­men De schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis kan worden onderscheiden van de waanstoornis, schizofrenie en een bipolaire- of depressieve-stem­mings­stoor­nis met psychotische kenmerken doordat al deze stoornissen worden gekenmerkt door een episode van persisterende psy­cho­se­symp­to­men (zoals wanen en hallucinaties). Om een extra classificatie schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis te kunnen toekennen, moet de per­soon­lijk­heids­stoor­nis al voor het ontstaan van de psy­cho­se­symp­to­men aanwezig zijn geweest, en voortduren nadat de psy­cho­se­symp­to­men in remissie zijn. Als een patiënt een persisterende psychotische stoornis heeft (zoals schizofrenie) die is voorafgegaan door een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, moet de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis ook worden geregistreerd, gevolgd door ‘premorbide’ tussen haakjes.

Neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen Het kan heel lastig zijn om kinderen met een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis te onderscheiden van de heterogene groep eenzelvige, ‘vreemde’ kinderen wier gedrag wordt gekenmerkt door een opvallend sociaal isolement, excentriciteit, of ei­gen­aar­dig­he­den in hun taalgebruik, en voor wie waarschijnlijk eerder classificaties gelden als een lichte vorm van een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis of een taal-/com­mu­ni­ca­tie­stoor­nis. Com­mu­ni­ca­tie­stoor­nis­sen kunnen worden onderscheiden doordat de taalproblemen op de voorgrond staan en het ernstigst zijn, en door de karakteristieke kenmerken van de taalbeperking die in een gespecialiseerd taalonderzoek worden gevonden. De lichtere vormen van de au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis onderscheiden zich door het nog grotere gebrek aan sociaal inzicht en emotionele wederkerigheid, en de stereotiepe gedragingen en interesses.

Per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening De schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis moet worden onderscheiden van een per­soon­lijk­heids­ver­an­de­ring door een somatische aandoening, waarbij de trekken die iemand ontwikkelt een direct fysiologisch gevolg zijn van een somatische aandoening.

Stoornissen in het gebruik van een middel De schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis moet ook worden onderscheiden van symptomen die zich kunnen ontwikkelen in samenhang met persisterend middelengebruik.

Andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen en per­soon­lijk­heids­trek­ken Andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen kunnen worden verward met de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis doordat ze bepaalde kenmerken met elkaar gemeen hebben. Het is dan ook belangrijk om deze stoornissen van elkaar te onderscheiden op grond van hun meest karakteristieke kenmerken. Als iemand echter per­soon­lijk­heids­ken­mer­ken heeft die behalve aan de criteria voor de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis ook voldoen aan de criteria voor een of meer andere per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen, dan kunnen de classificaties voor al deze stoornissen worden toegekend. Ook de paranoïde- en de schizoïde-per­soon­lijk­heids­stoor­nis­sen kunnen worden gekenmerkt door af­stan­de­lijk­heid in sociale contacten en een ingeperkt affect, maar de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis onderscheidt zich van deze twee stoornissen door de aanwezigheid van cognitieve of perceptuele vertekeningen en duidelijke excentriciteit of eigenaardigheid. Bij zowel de schizotypische- als de vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis is er beperkt sprake van hechte relaties; echter, bij iemand met een vermijdende-per­soon­lijk­heids­stoor­nis wordt het wel degelijk aanwezige verlangen naar relaties afgeremd door de angst voor afwijzing, terwijl bij de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis het verlangen naar hechte relaties ontbreekt en de af­stan­de­lijk­heid persisteert. Bij mensen met een narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis kan ook sprake zijn van achterdocht, terugtrekking uit sociale contacten of vervreemding, maar bij de narcistische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis wortelen deze kenmerken meer in de angst dat imperfecties of tekortkomingen aan het licht zullen komen. Mensen met een borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis kunnen ook voorbijgaande, psychoseachtige verschijnselen vertonen, maar die hangen gewoonlijk sterker samen met affectieve schommelingen in reactie op stress (zoals bij intense boosheid, angst, teleurstelling), en de verschijnselen zijn meestal meer dissociatief van aard (zoals derealisatie, de­per­so­na­li­sa­tie). Mensen met een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis hebben daarentegen een grotere kans op langdurige psychoseachtige symptomen die onder stress kunnen verergeren, maar minder vaak standaard optreden in samenhang met uitgesproken affectieve symptomen. Hoewel sociaal isolement ook bij de borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis kan voorkomen, is het isolement daarbij gewoonlijk een gevolg van herhaaldelijk misgelopen relaties door de woede-uitbarstingen en de veelvuldige stem­mings­wis­se­lin­gen, en niet van een persisterend gebrek aan sociale contacten en een gebrek aan verlangen naar intimiteit. Bovendien vertonen mensen met een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis gewoonlijk niet de impulsieve en manipulatieve gedragingen van iemand met een borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Deze twee stoornissen komen echter vaak samen voor, zodat dit onderscheid niet altijd kan worden gemaakt. De aanwezigheid van schizotypische kenmerken tijdens de adolescentie kan een uiting zijn van een voorbijgaande emotioneel verwarrende periode, in plaats van een blijvende per­soon­lijk­heids­stoor­nis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.