F21
CLASSIFICATIECRITERIA
AEen pervasief patroon van sociale en interpersoonlijke deficiënties, gekenmerkt door een direct gevoeld ongemak bij en een verminderd vermogen tot het hebben van hechte relaties, en door cognitieve of perceptuele distorsies en excentriciteit in het gedrag, beginnend op jongvolwassen leeftijd en aanwezig in uiteenlopende contexten, zoals blijkt uit vijf (of meer) van de volgende kenmerken:
1Betrekkingsideeën (met uitsluiting van betrekkingswanen).
2Eigenaardige overtuigingen of magische denkbeelden die het gedrag beïnvloeden en niet overeenstemmen met subculturele normen (bijvoorbeeld bijgelovigheid, geloof in helderziendheid, telepathie of een ‘zesde zintuig’; bij kinderen en adolescenten: bizarre fantasieën of preoccupaties).
3Ongewone perceptuele ervaringen, met inbegrip van lichamelijke illusoire vervalsingen.
4Merkwaardige wijze van denken en spreken (bijvoorbeeld: vaag, wijdlopig, metaforisch, overgedetailleerd, vol stereotypen).
5Achterdocht of paranoïde ideeënvorming.
6Inadequaat of ingeperkt affect.
7Het gedrag of het uiterlijk is vreemd, excentriek of zonderling.
8Geen hechte vrienden of vertrouwelingen, afgezien van eerstegraadsfamilieleden.
9Excessieve sociale angst die niet afneemt naarmate de betrokkene iemand beter kent en die vaak meer samenhangt met paranoïde angsten dan met een negatief oordeel over zichzelf.
BDe stoornis treedt niet uitsluitend op in het beloop van schizofrenie, een bipolaire- of depressieve-stemmingsstoornis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis, of een autismespectrumstoornis.
NB Als voorafgaand aan het ontstaan van schizofrenie aan de criteria wordt voldaan, voeg dan de aanduiding ‘premorbide’ toe als volgt: ‘schizoty-pischepersoonlijkheidsstoornis (premorbide)’.