Het hoofdkenmerk van de schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis is een breed aanwezig patroon van sociale en in­ter­per­soon­lij­ke tekortkomingen, gekenmerkt door acuut gevoeld ongemak bij en een verminderd vermogen tot het hebben van hechte relaties, en cognitieve of perceptuele vertekeningen, en excentriciteit in het gedrag. Dit patroon begint op jongvolwassen leeftijd en is aanwezig in een scala van situaties.

Mensen met een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis hebben vaak be­trek­kings­idee­ën (het onterecht interpreteren van toevallige incidenten en gebeurtenissen als zouden die specifiek voor de betrokkene een bijzondere en ongebruikelijke betekenis hebben) (criterium A1). Deze ideeën moeten worden onderscheiden van be­trek­kings­wa­nen, waarin de betrokkene zozeer van de juistheid van het denkbeeld is overtuigd dat er sprake is van een waan. Deze mensen kunnen bijgelovig zijn of erg bezig met paranormale verschijnselen die niet passen bij de normen van de subcultuur waartoe zij behoren (criterium A2). Ze kunnen het gevoel hebben dat ze over bijzondere gaven beschikken, bijvoorbeeld om gebeurtenissen aan te voelen voordat ze gebeuren of om de gedachten van andere mensen te lezen. Of ze geloven dat ze op magische wijze controle kunnen uitoefenen over anderen, direct (als een vrouw denkt dat het feit dat haar echtgenoot de hond gaat uitlaten een direct gevolg is van het feit dat zij een uur geleden bedacht dat dit moest gebeuren) of indirect, door mee te doen aan magische rituelen (bijvoorbeeld als iemand drie keer langs een bepaald voorwerp loopt om een bepaalde slechte uitkomst te vermijden). Veranderingen in de zintuiglijke waarneming zijn mogelijk (voelen dat iemand anders aanwezig is, of een stem horen die zachtjes zijn of haar naam zegt, bijvoorbeeld) (criterium A3). In hun manier van spreken kan sprake zijn van ongebruikelijke of idi­o­syn­cra­ti­sche uitdrukkingen en zins­con­struc­ties. Een betoog van deze mensen hangt vaak als los zand aan elkaar, ze praten wijdlopig of vaag, maar van echte ontsporingen of onsamenhangend spreken is geen sprake (criterium A4). Antwoorden op vragen van anderen kunnen overmatig concreet of overmatig abstract zijn, en woorden of begrippen worden soms op een ongebruikelijke manier gebruikt (de betrokkene vertelt bijvoorbeeld dat hij of zij op het werk niet ‘sprekelijk’ was (en bedoelt ‘spraakzaam’)).

Mensen met deze stoornis zijn vaak achterdochtig en kunnen er paranoïde ideeën op na houden (ze zijn er bijvoorbeeld van overtuigd dat hun collega’s op het werk eropuit zijn om hun reputatie bij de baas te ondermijnen). Ze zijn gewoonlijk niet in staat om op een goede manier om te gaan met het volledige scala van affecten en het oppikken van in­ter­per­soon­lij­ke signalen die nodig zijn voor succesvolle relaties, zodat hun interacties met anderen als ongepast, houterig, of beperkt overkomen (criterium A6). Door hun eigenaardige optreden, hun vaak onverzorgde kledingstijl waarin verschillende kledingstukken niet helemaal ‘bij elkaar passen’ en het feit dat ze geen antenne hebben voor sociale conventies worden deze mensen door anderen vaak vreemd of excentriek gevonden (zo iemand vermijdt bijvoorbeeld oogcontact, draagt slecht passende kleding met inktvlekken, en slaagt er niet in mee te doen aan de wederzijdse plagerijtjes tussen collega’s) (criterium A7).

Mensen met een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis ervaren in­ter­per­soon­lij­ke banden als problematisch en zijn in de omgang met andere mensen niet op hun gemak. Het komt voor dat zij vertellen ongelukkig te zijn met hun gebrek aan hechte relaties, maar hun gedrag wijst op een verminderde behoefte aan intieme contacten. Als gevolg daarvan hebben ze behalve eer­ste­graads­fa­mi­lie­le­den geen of weinig hechte vrienden of vertrouwelingen (criterium A8). Ze zijn angstig in sociale situaties, vooral met onbekenden (criterium A9). Interacties met andere mensen gaan ze wel aan als het niet anders kan, maar ze zijn bij voorkeur op zichzelf omdat ze het gevoel hebben dat ze ‘anders’ zijn en ‘er niet bij horen’.

Hun sociale angst neemt meestal niet gemakkelijk af, ook niet naarmate ze zich langer in een bepaalde situatie bevinden of andere mensen beter leren kennen, doordat deze angst samenhangt met achterdocht over de motieven van anderen. Zo kan iemand met een schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis die een etentje bijwoont, zich niet meer gaan ontspannen naarmate de avond vordert, maar juist steeds gespannener en achterdochtiger worden.

De classificatie schizotypische-per­soon­lijk­heids­stoor­nis moet niet worden toegekend als het gedragspatroon uitsluitend optreedt tijdens het beloop van schizofrenie, een bipolaire- of depressieve-stem­mings­stoor­nis met psychotische kenmerken, een andere psychotische stoornis, of een au­tis­me­s­pec­trum­stoor­nis (criterium B).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.