Stimulantia vormen een type psychoactieve stoffen die de activiteit in de hersenen verhogen en tijdelijk de alertheid, de stemming en het bewustzijn kunnen verhogen. Stimulantia die in dit hoofdstuk aan bod komen, zijn onder meer amfetamine en voorgeschreven stimulantia met een soortgelijke werking (bijvoorbeeld methylfenidaat) en cocaïne. Mid­del­ge­re­la­teer­de stoornissen waarbij andere middelen met stimulerende eigenschappen betrokken zijn, worden in andere paragrafen van dit hoofdstuk behandeld. Hiertoe behoren cafeïne (bij ca­fe­ï­ne­gere­la­teer­de stoornissen), nicotine (bij ta­bak­ge­re­la­teer­de stoornissen), en tot slot MDMA (3,4-methyleen-di­oxy­me­t­ham­fe­ta­mi­ne; bij hal­lu­ci­no­geen­ge­re­la­teer­de stoornissen), die zowel een stimulerende als een hallucinogene werking heeft.

Aangezien de effecten van am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen vergelijkbaar zijn met die van cocaïne, vallen zowel amfetamine- als co­ca­ï­ne­gere­la­teer­de stoornissen onder de sti­mu­lan­ti­um­ge­re­la­teer­de stoornissen. Am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen (en andere of on­ge­spe­ci­fi­ceer­de stimulantia) en cocaïne hebben verschillende ICD-codes (bijvoorbeeld: F15.1 lichte stoornis in het gebruik van een am­fe­ta­mi­ne­ach­tig middel, F14.1 lichte stoornis in het gebruik van cocaïne). Het specifieke stimulantium dat door de betrokkene is gebruikt, wordt in de stoornisnaam opgenomen (bijvoorbeeld ont­trek­kings­syn­droom van methamfetamine, stoornis in het gebruik van methylfenidaat, intoxicatie door cocaïne).

Onder amfetaminen en am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge stimulantia vallen de middelen die zijn afgeleid van fenylethylamine, zoals amfetamine, dex­tro­am­fe­ta­mi­ne en methamfetamine. Ook vallen hieronder de middelen met een andere mo­le­cuul­struc­tuur maar soortgelijke effecten, zoals methylfenidaat en modafinil. Meestal worden deze am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen oraal of intraveneus ingenomen, hoewel methamfetamine ook nasaal kan worden genomen. Behalve de synthetische am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen zijn er ook natuurlijke stimulantia afkomstig van planten, zoals qat, en synthetische analoga van qat, genaamd cathinonen.

Amfetaminen en andere stimulantia kunnen op voorschrift worden gebruikt voor de behandeling van een aan­dachts­de­fi­ci­ën­tie-/hy­per­ac­ti­vi­teits­stoor­nis en narcolepsie. Ook kunnen voorgeschreven stimulantia daarna op de illegale markt terechtkomen.

Cocaïne, een natuurlijk product van de cocaplant, kan in verschillende vormen worden genuttigd (bijvoorbeeld cocabladeren, cocapasta, co­ca­ï­ne­hy­dro­chlo­ri­de en co­ca­ï­ne­al­ka­lo­ï­den zoals freebase en crack). Deze vormen variëren in potentie vanwege hun verschillende maten van zuiverheid en wer­kings­snel­heid, maar in alle vormen van dit middel is cocaïne de werkzame stof. Co­ca­ï­ne­hy­dro­chlo­ri­de­poe­der wordt meestal ‘gesnoven’ via de neusgaten of opgelost in water en per intraveneuze injectie genomen. Crack en andere co­ca­ï­ne­al­ka­lo­ï­den worden gemakkelijk verdampt en geïnhaleerd, en hun effecten beginnen dan ook zeer snel.

Bij blootstelling aan am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen of cocaïne kan iemand al binnen een week een stoornis in het gebruik van een stimulantium ontwikkelen, maar dat hoeft niet altijd zo snel te gaan. Bij elke toedieningsweg leidt herhaald gebruik tot tolerantie. Ont­trek­kings­symp­to­men, met name hypersomnia, toegenomen eetlust en dysforie, kunnen optreden en kunnen de hunkering doen toenemen. De meeste mensen met een stoornis in het gebruik van een stimulantium hebben reeds tolerantie of ont­trek­kings­symp­to­men ontwikkeld.

Stoornissen met am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen en cocaïne hebben een vergelijkbaar gebruikspatroon en beloop, doordat beide middelen het centrale zenuwstelsel sterk stimuleren en een vergelijkbare psychoactieve en sym­pa­thi­co­mi­me­ti­sche werking hebben. Am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen hebben een langere werkingsduur dan cocaïne en worden daardoor minder vaak op een dag gebruikt. Het gebruik kan chronisch of episodisch zijn, met pieken in het gebruik en korte perioden van niet-gebruik. Bij het roken, innemen of intraveneuze toediening van een hoge dosis ontstaat vaak agressief of gewelddadig gedrag. Ook kan bij gebruik van een hoge dosering tijdelijk een sterke angst optreden die lijkt op een paniekstoornis, evenals paranoïde gedachtevorming en psychotische episoden die lijken op schizofrenie.

Bij onttrekking kunnen tijdelijk sterke depressieve symptomen optreden die lijken op een depressieve stoornis; deze symptomen verdwijnen gewoonlijk binnen een week. Bij am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen ontstaat tolerantie, waardoor de dosis steeds wordt verhoogd. Daarentegen ontwikkelen sommige gebruikers van am­fe­ta­mi­ne­ach­ti­ge middelen juist sensitisatie, waarbij de respons toeneemt.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.