Beperking van de voedselinname is een aspecifieke klacht die bij een aantal psychische en somatische aandoeningen kan voorkomen en gepast kan zijn voor het ontwikkelingsniveau. Wanneer aan alle criteria is voldaan en de eetstoornis specifieke aandacht vereist, kan de classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis gelijktijdig met andere classificaties worden toegekend.
Somatische aandoeningen (bijvoorbeeld gastro-intestinale aandoeningen, voedselallergie en -intolerantie, nog niet gediagnosticeerde maligniteiten) Beperkte voedselinname komt voor bij somatische aandoeningen, vooral wanneer deze gepaard gaan met aanhoudende symptomen als braken, gebrek aan eetlust, misselijkheid, buikpijn of diarree. Om de classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis te kunnen toekennen, moet de innamestoornis verder reiken dan wat door de symptomen van de somatische aandoening kan worden verklaard; de eetstoornis kan nadat deze door een somatische aandoening is ontstaan, blijven bestaan als de somatische aandoening is verholpen.
Somatische of comorbide psychische aandoeningen kunnen problemen geven met de voeding of het eten. Aangezien ouderen, postoperatieve patiënten en mensen die chemotherapie ontvangen vaak geen eetlust hebben, dient de classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis alleen te worden toegekend als de eetstoornis het primaire aandachtspunt voor de interventie is.
Obsessieve-compulsieve of verwante stoornis als gevolg van PANS Bij klachten die abrupt beginnen en bij een hogere beginleeftijd of atypische symptomen, is een grondig onderzoek vereist om een classificatie obsessieve-compulsieve of verwante stoornis als gevolg van PANS (pediatric acute-onset neuropsychiatric syndrome) uit te sluiten. PANS wordt gekenmerkt door een plotseling en opvallend begin van obsessieve-compulsieve symptomen of een ernstige beperking van de voedselinname, samen met diverse andere neuropsychiatrische symptomen.
Specifieke neurologische of neuromusculaire, structurele of erfelijke stoornissen en aandoeningen die met voedingsmoeilijkheden samenhangen Bij een aantal aangeboren en neurologische aandoeningen, die vaak te maken hebben met de bouw en de functie van de mond, keel of slokdarm, zoals een verhoogde spierspanning, protrusie van de tong en dysfagie, komen moeilijkheden met de voeding veel voor. Zolang volledig aan de criteria wordt voldaan, kunnen mensen met dergelijke symptomen de classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis toegekend krijgen.
Reactieve-hechtingsstoornis Bij een reactieve-hechtingsstoornis trekt het kind zich in een zekere mate terug van verzorgers, wat kan leiden tot een verstoring van de verzorger-kindrelatie die van invloed kan zijn op het voeden en de voedselinname van het kind. De classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis dient alleen te worden toegekend wanneer volledig aan de criteria voor beide classificaties wordt voldaan en de voedingsstoornis een primair aandachtspunt voor de interventie is.
Autismespectrumstoornis Mensen met een autismespectrumstoornis vertonen vaak rigide eetgewoonten en een verhoogde sensorische gevoeligheid. Deze kenmerken zorgen echter niet altijd voor een mate van beperking die vereist is voor de classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis. De classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis dient alleen gelijktijdig te worden toegekend als volledig aan alle criteria voor beide stoornissen is voldaan en wanneer een specifieke behandeling nodig is voor de eetstoornis.
Specifieke fobie, sociale-angststoornis en andere angststoornissen Bij de specifieke fobie van het type ‘overige’ staat als voorbeeld: ‘situaties die kunnen leiden tot zich verslikken of braken’, en deze situaties kunnen de voornaamste aanleiding vormen tot de vrees, angst of vermijding die voor de classificatie vereist is. Als een vrees voor verslikken of braken tot vermijding van voedsel heeft geleid, kan het moeilijk zijn om een specifieke fobie te onderscheiden van een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis. Vermijding of beperking van de voedselinname die secundair is aan een uitgesproken vrees voor verslikken of braken, kan als een specifieke fobie worden gezien, maar in situaties waarin het eetprobleem de voornaamste reden voor klinische aandacht is geworden, is de vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis de aangewezen classificatie. Bij een sociale-angststoornis kan de betrokkene de vrees hebben door anderen te worden geobserveerd tijdens het eten, wat zich ook kan voordoen bij een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis.
Anorexia nervosa Het beperken van de energie-inname in verhouding tot de benodigde inname, met een significant laag lichaamsgewicht als gevolg, is een van de voornaamste kenmerken van anorexia nervosa. Mensen met anorexia nervosa vertonen echter ook een vrees om aan te komen of dik te worden, of vertonen aanhoudend gedrag dat een gewichtstoename tegengaat, en een specifieke stoornis in de waarneming en ervaring van hun gewicht en de vorm van hun lichaam. Deze kenmerken ontbreken bij een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis, en de twee classificaties dienen daarom niet gelijktijdig te worden toegekend. De differentiële diagnostiek van een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis versus anorexia nervosa kan lastig zijn, vooral in de late kindertijd en de vroege adolescentie, aangezien deze stoornissen een aantal kenmerken delen (zoals het vermijden van voedsel en een laag lichaamsgewicht). De differentiële diagnostiek kan ook moeilijk zijn bij mensen met anorexia nervosa die ontkennen dat zij bang zijn dik te worden maar desalniettemin aanhoudend gedrag vertonen waarmee zij een gewichtstoename voorkomen en die de somatische ernst van hun lage lichaamsgewicht niet onderkennen — dit beeld wordt wel ‘niet-vetfobische anorexia nervosa’ genoemd. Het is aan te bevelen om alle symptomen, het beloop en de familieanamnese in ogenschouw te nemen, en de classificatie kan het best plaatsvinden binnen de context van een behandelrelatie van enige duur. Bij sommige mensen kan de vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis aan de anorexia nervosa voorafgaan.
Obsessieve-compulsieve stoornis Mensen met een obsessieve-compulsieve stoornis kunnen een beeld vertonen waarbij zij voedselinname vermijden of beperken vanwege hun preoccupaties met voedsel of een geritualiseerd eetgedrag. Alleen als volledig aan de criteria voor beide classificaties is voldaan, kan de classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis gelijktijdig worden toegekend, en wanneer het afwijkende eetgedrag een belangrijk aspect is van het klinische beeld waarvoor een specifieke interventie vereist is.
Depressieve stoornis Bij de depressieve stoornis kan de eetlust zodanig zijn aangetast dat mensen een significant beperkte voedselinname vertonen; meestal is dit gerelateerd aan de algehele energie-inname, en vaak gaat dit samen met gewichtsverlies. Wanneer de stemmingsproblemen afnemen, verdwijnen het gebrek aan eetlust en de bijbehorende verminderde inname doorgaans weer. De classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis dient alleen gelijktijdig te worden toegekend wanneer volledig aan de criteria voor beide stoornissen wordt voldaan en wanneer de eetstoornis een specifieke behandeling vergt.
Schizofreniespectrumstoornissen Mensen met schizofrenie, een waanstoornis of andere psychotische stoornissen kunnen vreemd eetgedrag vertonen en kunnen vanwege hun paranoïsche overtuigingen bepaalde voedingsmiddelen vermijden, of zij hebben anderszins een vermijdende of beperkte inname. In sommige gevallen leiden de paranoïsche overtuigingen tot de zorg dat het nuttigen van bepaalde voedingsmiddelen negatieve gevolgen heeft. De classificatie vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis dient alleen gelijktijdig te worden toegekend wanneer volledig aan de criteria voor beide stoornissen wordt voldaan en wanneer de eetstoornis een specifieke behandeling vergt.
Nagebootste stoornis opgelegd aan zichzelf of nagebootste stoornis opgedrongen aan iemand anders De vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis moet worden onderscheiden van de nagebootste stoornis opgelegd aan zichzelf en de nagebootste stoornis opgedrongen aan iemand anders. Om de rol van zieke op zich te nemen, kunnen mensen met een nagebootste stoornis soms met opzet diëten beschrijven die veel beperkter zijn dan zij in werkelijkheid kunnen volhouden, en ook noemen zij complicaties van dat gedrag, zoals de noodzaak om enterale sondevoeding of voedingssupplementen te krijgen; zij vertellen dat zij een aantal normale voedingsmiddelen niet kunnen verdragen en/of dat zij niet normaal kunnen meedoen in bij de leeftijd passende situaties die met voedsel te maken hebben. De presentatie van de klachten kan indrukwekkend dramatisch en innemend zijn, en de klachten kunnen inconsistent worden gebracht. Bij een nagebootste stoornis opgedrongen aan iemand anders beschrijft de verzorger klachten die niet overeenkomen met een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis en kan hij of zij opzettelijk lichamelijke symptomen veroorzaken, zoals het niet-bereiken van de verwachte gewichtstoename. Iedere classificatie van een nagebootste stoornis opgedrongen aan iemand anders dient te worden toegekend aan de verzorger en niet aan degene die erdoor getroffen is. Bovendien dient pas voor deze classificatie te worden gekozen na een zeer uitgebreid en zorgvuldig uitgevoerd onderzoek van de getroffen persoon, de verzorger en hun interactie.
Normaal gedrag voor het ontwikkelingsniveau Tijdens de normale ontwikkeling komt het voor dat sommige peuters en kinderen tijdelijk minder gevarieerd willen eten. Dit fenomeen verdwijnt meestal spontaan en zonder interventies. Dit voor het ontwikkelingsniveau normale gedrag is geen indicatie voor een vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis, tenzij het gedrag zodanig ernstig wordt dat het kind niet meer voorziet in de gepaste voedingsbehoeften of wanneer er sprake is van significante beperkingen in het functioneren (criterium A).