Vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis

Avoidant/restrictive food intake disorder

F98.2

CLASSIFICATIECRITERIA

AEen eet- of voe­dings­stoor­nis (zoals een duidelijk gebrek aan interesse in eten of voedsel, vermijden van voedsel vanwege de sensorische kenmerken ervan, zorgen over de aversieve gevolgen van het eten), samenhangend met een (of meer) van de volgende kenmerken:

1Significant gewichtsverlies (of het niet bereiken van de te verwachten gewichtstoename, of achterblijvende groei bij kinderen).

2Significante voe­dings­de­fi­ci­ën­tie.

3Afhankelijkheid van enterale sondevoeding of orale voe­dings­sup­ple­men­ten.

4Een duidelijk interfereren met het psychosociale functioneren.

Veel jonge kinderen die moeite hadden met het innemen van voedsel voldeden niet aan de DSM-IV-criteria voor ‘voe­dings­stoor­nis­sen op de zui­ge­lin­gen­leef­tijd of vroege kinderleeftijd’. Dit kwam doordat de primaire focus van deze criteria lag op het uitblijven van gewichtstoename of het verlies van gewicht, en doordat bepaalde kenmerken van het beeld ook vaak worden waargenomen bij oudere kinderen en volwassenen. ‘Voe­dings­stoor­nis’ is vervangen door ‘eet- of voe­dings­stoor­nis’ om rekening te houden met de bredere leeftijdsgroep van mensen met deze stoornis. De gevolgen van het vermijden of beperken van de voedselinname kunnen lang aanhouden, en dit criterium is uitgebreid met andere symptomen dan gewichtsverlies of -toename. Er werden kenmerken toegevoegd als achterblijvende groei, voe­dings­de­fi­ci­ën­ties, afhankelijkheid van enterale sondevoeding of orale voe­dings­sup­ple­men­ten, en een duidelijk interfereren met het psychosociale functioneren, omdat deze kenmerken klinisch significante en veelvoorkomende gevolgen zijn van dergelijke eet- of voe­dings­stoor­nis­sen.

BDe stoornis kan niet beter worden verklaard doordat er te weinig voe­dings­mid­de­len beschikbaar zijn of door een ermee samenhangende cultureel gesanctioneerde gewoonte.

Ook extreme armoede en culturele gewoonten zoals religieus vasten kunnen leiden tot aanzienlijk gewichtsverlies. Daarom bevat dit criterium de formulering ‘kan niet beter worden verklaard doordat er te weinig voe­dings­mid­de­len beschikbaar zijn’ en het vereiste dat er geen aanwijzingen zijn dat een ‘cultureel gesanctioneerde gewoonte’, zoals naleving van bepaalde religieuze of culturele gebruiken, de stoornis zou kunnen verklaren.

CDe eetstoornis treedt niet uitsluitend op in het beloop van anorexia nervosa of boulimia nervosa, en er zijn geen aanwijzingen voor een stoornis in de wijze waarop het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm wordt ervaren.

Het beperken van de energie-inname met als doel gewichtsverlies is een hoofdkenmerk van anorexia nervosa en kan compenserend gedrag zijn bij boulimia nervosa. Oudere kinderen en jonge adolescenten met deze stoornissen hebben een aantal kenmerken ge­meen­schap­pe­lijk, zoals een laag gewicht en voed­sel­ver­mij­ding. Anorexia nervosa hangt echter samen met de angst voor gewichtstoename en met stoornissen in de perceptie met betrekking tot het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm. In het geval van boulimia nervosa is de beperking van de voedselinname of het vasten compenserend gedrag bij terugkerende eetbui-episoden. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen een beperkte voedselinname in het kader van eetstoornissen, waarbij de betrokkene bezorgd is over zijn of haar gewicht of lichaamsvorm, en een beperkte voedselinname waarbij dergelijke zorgen niet aanwezig zijn.

DDe eetstoornis kan niet worden toegeschreven aan een gelijktijdig optredende somatische aandoening en kan niet beter worden verklaard door een andere psychische stoornis. Wanneer de eetstoornis zich voordoet binnen de context van een andere aandoening of stoornis, is de ernst van de eetstoornis groter dan wat normaal bij deze aandoeningen of stoornissen wordt gezien, en is afzonderlijke aandacht gerechtvaardigd.

Voed­sel­stoor­nis­sen kunnen ook veroorzaakt worden door maag-dar­maan­doe­nin­gen (bijvoorbeeld gastro-oesofageale reflux), en­do­cri­no­lo­gi­sche aandoeningen (bijvoorbeeld diabetes) en neurologische aandoeningen (bijvoorbeeld aandoeningen die verband houden met structurele of functionele problemen van de mond, keel en slokdarm). Daarom moeten deze aandoeningen worden onderscheiden van de vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis.

Specificeer indien:

In remissie De betrokkene heeft voorheen volledig aan de criteria voor de vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis voldaan, maar voldoet inmiddels gedurende een langere periode aan geen van de criteria.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.