Het vermijden of beperken van voedsel samenhangend met een onvoldoende inname of gebrek aan interesse in eten ontwikkelt zich doorgaans op de zui­ge­lin­gen­leef­tijd of in de vroege kindertijd, en kan tot op volwassen leeftijd aanhouden. Zo kan ook het vermijden van voedsel vanwege sensorische kenmerken in de eerste levensdecade ontstaan en tot op volwassen leeftijd aanhouden. Een vermijding op grond van negatieve gevolgen kan op iedere leeftijd ontstaan. In de weinige literatuur die over het beloop op de lange termijn bestaat, wordt geopperd dat het vermijden of beperken van voeding vanwege sensorische aspecten een relatief stabiel en langdurig beloop heeft. Wanneer het vermijden of beperken van voeding tot in de volwassen leeftijd aanhoudt, kan dit samengaan met een relatief normaal functioneren. Er zijn momenteel onvoldoende aanwijzingen dat er een direct verband bestaat tussen de vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis en het latere ontstaan van een eetstoornis.

Zuigelingen met een vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis kunnen tijdens het voeden prikkelbaar of moeilijk te troosten zijn, of er apathisch en teruggetrokken uitzien. In sommige gevallen kan de verzorger-kindinteractie het voe­dings­pro­bleem van de zuigeling in de hand werken (bijvoorbeeld door voedsel verkeerd aan te bieden, of het gedrag van de zuigeling op te vatten als agressief of afwijzend). Een onvoldoende voedselinname kan leiden tot verergering van de bijkomende kenmerken (zoals prikkelbaarheid, ont­wik­ke­lings­ach­ter­stan­den), die dan weer bijdragen aan de eet­moei­lijk­he­den. Oorzakelijke factoren zijn onder andere het temperament van de zuigeling, of ont­wik­ke­lings­stoor­nis­sen die de reacties van de zuigeling op het voeden kunnen verminderen. Als het voeden en het gewicht verbeteren wanneer er door anderen voor het kind wordt gezorgd, kan dit wijzen op bestaande psy­cho­pa­tho­lo­gie van de ouders, of op misbruik of verwaarlozing. Bij zuigelingen, kinderen en prepuberale adolescenten kan een vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis samengaan met een groei­ach­ter­stand. De ondervoeding die hiervan het gevolg is, heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling en het leervermogen. Bij oudere kinderen, adolescenten en volwassenen is er doorgaans sprake van een negatieve invloed op het sociale functioneren. Los van de leeftijd kan het ge­zins­func­ti­o­ne­ren worden verstoord door de verhoogde stress tijdens de maaltijden, en op andere met voeding of eten gerelateerde momenten waarbij vrienden en familie aanwezig zijn.

De vermijdende/restrictieve voed­sel­in­na­me­stoor­nis komt vaker bij kinderen en adolescenten voor dan bij volwassenen, en er kan een lange periode zitten tussen het begin en het in behandeling komen. De redenen om in behandeling te komen kunnen zeer uiteenlopen, van lichamelijke tot sociale of emotionele moeilijkheden.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.