De vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis is een vervanging en uitbreiding van de DSM-IV-classificatie ‘voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd’ om ook oudere kinderen, adolescenten en volwassenen te includeren. Het belangrijkste diagnostische kenmerk van de vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis is de vermijding of beperking van de voedselinname samengaand met een of meer van de volgende gevolgen: een significant gewichtsverlies, een significante voedingsdeficiëntie (of bijbehorend effect op de gezondheid), afhankelijkheid van sondevoeding of orale voedingssupplementen, of duidelijke beperkingen in het psychosociale functioneren (criterium A). De vaststelling of het gewichtsverlies significant is (criterium A) is een klinisch oordeel; in plaats van gewichtsverlies kan bij kinderen en adolescenten die nog niet volgroeid zijn bepaald worden of ze volgens de groeicurve onvoldoende in gewicht of lengte zijn toegenomen.
Bij sommige mensen is het vermijden of beperken van voedsel gebaseerd op de sensorische kenmerken van het voedsel, zoals bij een extreme gevoeligheid voor het uiterlijk, de samenstelling, kleur, geur, temperatuur of smaak. Dit gedrag wordt ook wel ‘restrictief eten’ of ‘selectief eten’, ‘kieskeurig eten’, ‘chronische voedselweigering’, ‘voedselaversie’ en ‘voedselneofobie’ genoemd, en het kan zich manifesteren als een weigering om bepaalde soorten voedsel te eten of de geur van voedsel dat door anderen wordt genuttigd te verdragen. Mensen met een verhoogde sensorische sensitiviteit samenhangend met autisme, kunnen vergelijkbaar gedrag vertonen. Het vermijden of beperken van voeding kan bovendien een geconditioneerde negatieve respons zijn die met voedselinname samenhangt en die optreedt na of anticiperend op een aversieve ervaring, zoals verstikking, een traumatiserend onderzoek, meestal van het maag-darmkanaal (zoals een oesofagoscopie) of herhaaldelijk braken. Voor deze aandoeningen worden ook de termen ‘functionele dysfagie’ en ‘globus hystericus’ gebruikt. Bij weer anderen manifesteert het vermijden of beperken van voeding zich als gebrek aan interesse in eten of voeding.
De vaststelling of er sprake is van een significante voedingsdeficiëntie (criterium A2) is eveneens gebaseerd op een klinisch oordeel (bepaling van de voedselinname, lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek). De daarmee samenhangende gevolgen voor de lichamelijke gezondheid kunnen van vergelijkbare ernst zijn als die van anorexia nervosa (bijvoorbeeld hypothermie, bradycardie en anemie). In ernstige gevallen, vooral bij zuigelingen, kan de ondervoeding levensbedreigend zijn. De ‘afhankelijkheid’ van enterale sondevoeding of orale voedingssupplementen (criterium A3) betekent dat er aanvullende voeding vereist is om voldoende voedingsstoffen binnen te krijgen. Enkele voorbeelden van mensen die aanvullende voeding nodig hebben, zijn zuigelingen met failure to thrive (FTT) die voeding via een neus-maagsonde moeten krijgen, kinderen met neurobiologische ontwikkelingsstoornissen die volledig afhankelijk zijn van voedingssupplementen, en mensen die afhankelijk zijn van een percutane maagsonde of volledige orale voedingssupplementen zonder dat er sprake is van een onderliggende somatische aandoening. Wanneer iemand vanwege deze stoornis geen relaties kan onderhouden of niet kan deelnemen aan normale sociale activiteiten, zoals samen met anderen eten, of naar school of naar het werk gaan, is er sprake van een duidelijke belemmering van het psychosociale functioneren (criterium A4). Ook een aanzienlijke verstoring van het gezinsfunctioneren (bijvoorbeeld een duidelijke beperking van voedingsmiddelen die in huis worden toegelaten, excessieve aanpassingen om voedingsmiddelen van specifieke winkels of restaurants aan te schaffen) kan voldoen aan criterium A4.
Tot de vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis behoort niet de vermijding of beperking van voedselinname (zoals voedselonzekerheid) doordat er te weinig voeding beschikbaar is, of door culturele gewoonten (religieus vasten of normaal dieet houden) (criterium B). De stoornis kan niet beter worden verklaard door een overmatige zorg over het lichaamsgewicht of de lichaamsvorm (criterium C) of door gelijktijdig optredende somatische factoren of psychische stoornissen (criterium D).