Let op: deze stoornis is opgenomen in Deel III van de DSM-5-TR en is dus nog geen officiële stoornis.

Borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis Niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging wordt door velen beschouwd als pathognomonisch voor de borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. Hoewel de niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis vaak comorbide voorkomt met de borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis, hebben veel mensen met deze stoornis geen per­soon­lijk­heids­pa­troon dat voldoet aan de criteria voor de borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis. De niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis komt niet alleen los van de borderline-per­soon­lijk­heids­stoor­nis voor, maar is ook vaak comorbide met veel andere stoornissen, waaronder depressieve-stem­mings­stoor­nis­sen, eetstoornissen en mid­del­ge­re­la­teer­de stoornissen.

Suïcidaal gedrag De differentiatie tussen de niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis en suïcidaal gedrag is gebaseerd op het doel van het gedrag. Als er een wens is om te sterven, dan gaat het om suïcidaal gedrag; als het de bedoeling is om verlichting te ervaren, dan gaat het om niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging (zoals beschreven in de criteria voor de niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis). In tegenstelling tot suïcidaal gedrag zijn de episoden van niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging op korte termijn meestal minder ernstig bij mensen die een voor­ge­schie­de­nis hebben van frequente episoden. Verder melden sommigen dat ze het zelf­be­scha­di­gen­de gedrag uitvoeren om een suïcidepoging te voorkomen.

Tri­cho­til­lo­ma­nie (haar­uit­trek­stoor­nis) Tri­cho­til­lo­ma­nie wordt gedefinieerd door zelf­be­scha­di­gend gedrag dat beperkt blijft tot het uittrekken van het eigen haar, meestal uit de hoofdhuid, wenkbrauwen of wimpers. Het gedrag vindt plaats in ‘sessies’ die uren kunnen duren. Het komt het meest voor tijdens een moment van ontspanning of afleiding. Wanneer het zelf­be­scha­di­gen­de gedrag beperkt blijft tot haar uittrekken, moet in plaats van de niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gingssstoor­nis de classificatie tri­cho­til­lo­ma­nie worden toegekend.

Stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis met zelf­be­scha­di­ging De stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis omvat repetitief, schijnbaar gedreven en schijnbaar doelloos motorisch gedrag (bijvoorbeeld met de handen schudden of zwaaien, het lichaam heen en weer wiegen, met het hoofd bonken, zichzelf bijten, zichzelf slaan) dat soms kan leiden tot zelf­be­scha­di­ging. Deze stoornis gaat vaak samen met een bekende somatische of genetische aandoening, een neu­ro­bi­o­lo­gi­sche ont­wik­ke­lings­stoor­nis of om­ge­vings­fac­to­ren (bijvoorbeeld het syndroom van Lesch-Nyhan, een verstandelijke-ont­wik­ke­lings­stoor­nis, intra-uteriene blootstelling aan alcohol). Wanneer het zelf­be­scha­di­gen­de gedrag voldoet aan de criteria voor de stereotiepe-be­we­gings­stoor­nis, moet deze classificatie worden toegekend in plaats van de classificatie niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis.

Ex­co­ri­a­tie­stoor­nis (huid­pulk­stoor­nis) De ex­co­ri­a­tie­stoor­nis is gewoonlijk gericht op het pulken aan een bepaald deel van de huid, meestal in het gelaat of op de hoofdhuid, dat de betrokkene als afstotelijk ervaart of als een onvolkomenheid ziet. Wanneer het zelf­be­scha­di­gen­de gedrag zich beperkt tot huidpulken, moet de classificatie ex­co­ri­a­tie­stoor­nis worden toegekend in plaats van de classificatie niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.