Let op: deze stoornis is opgenomen in Deel III van de DSM-5-TR en is dus nog geen officiële stoornis.

Het hoofdkenmerk van de niet-suïcidale-zelf­be­scha­di­gings­stoor­nis is dat de betrokkene herhaaldelijk lichte tot matig-ernstige, vaak pijnlijke verwondingen aan het eigen li­chaams­op­per­vlak toebrengt, zonder daarbij de intentie te hebben om suïcide te plegen. Meestal is het doel van dergelijk gedrag verlichting van negatieve emoties, zoals spanning, angst, verdriet of zelfverwijt, of — minder vaak — een oplossing voor in­ter­per­soon­lij­ke conflicten. In sommige gevallen wordt de verwonding door de betrokkene gezien als een terechte zelfopgelegde straf. De betrokkene zal vaak rapporteren dat er tijdens het proces onmiddellijk een gevoel van opluchting optreedt. Wanneer het gedrag frequent optreedt, kan dat in samenhang zijn met een gevoel van dringende noodzaak en behoefte (craving) en lijkt het eruit voortvloeiende gedragspatroon op een verslaving. De toegebrachte verwondingen kunnen toenemen in diepte en aantal.

De meest voorkomende methode van zelf­be­scha­di­ging is snijden, waarbij de verwondingen meestal worden toegebracht met een mes, naald, scheermes of een ander scherp object. De verwondingen worden over het algemeen aangebracht op de dorsale zijde van de onderarm en de frontale zijde van de dij. In een enkele ver­won­dings­ses­sie kan een serie van oppervlakkige, parallel verlopende sneetjes, op een afstand van 1 of 2 centimeter, worden aangebracht op een goed zichtbare of bereikbare locatie. De sneetjes bloeden vaak en er zal zich vaak een zeer karakteristiek littekenpatroon vormen.

Andere methoden die tamelijk vaak worden gebruikt zijn: oppervlakkige krassen of brandwonden toebrengen; zichzelf slaan of met het hoofd bonken; bijten; en voorkomen dat een wond geneest. Veel betrokkenen zullen in de loop van de tijd verschillende methoden gebuiken; dit hangt samen met ernstigere psychische stoornissen, waaronder het ondernemen van suïcidepogingen.

Veel mensen met dit gedrag, wellicht de meesten, zoeken geen professionele hulp. Deze neiging kan te maken hebben met de te­rug­hou­dend­heid van mensen om over zelf­be­scha­di­ging te praten uit bezorgdheid over stigmatisering. Bovendien ervaren veel mensen die deze handelingen uitvoeren het gedrag als positief, aangezien de niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging hen helpt bij het reguleren van negatieve emoties. Hierdoor kunnen ze minder of helemaal niet gemotiveerd zijn om in behandeling te gaan. Jonge kinderen en adolescenten kunnen met dit gedrag experimenteren, maar ervaren daarbij geen ver­lich­tings­ge­voe­lens. In dergelijke gevallen rapporteren jongeren vaak dat de handelingen pijnlijk en stressvol zijn, en zullen zij vervolgens stoppen met het gedrag.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.