De niet-suïcidale-zelfbeschadigingsstoornis begint meestal in de vroege tienerjaren en kan vele jaren duren, waarbij een jongere leeftijd bij aanvang samenhangt met een ernstiger beeld. De ernst van de stoornis bereikt doorgaans een hoogtepunt als de meeste betrokkenen aan het einde van hun tienerjaren of vroeg in de 20 zijn; vervolgens neemt de ernst dan in de volwassenheid af. Aanvullend prospectief wetenschappelijk onderzoek moet de natuurlijke historie van de niet-suïcidale-zelfbeschadigingsstoornis in kaart brengen, evenals de factoren die deze stoornis versterken of verminderen. Betrokkenen komen vaak voor het eerst in aanraking met het gedrag omdat een ander erover vertelt of omdat zij het bij een ander observeren, of omdat zij er via reguliere mediakanalen of sociale media over horen. Mensen die in aanraking komen met anderen die zichzelf beschadigen, bijvoorbeeld in een ggz-instelling, op school, in jeugddetentie of in de thuisomgeving, hebben meer kans om zelf te beginnen met zelfbeschadigend gedrag, mogelijk door sociale modellering of sociale leermechanismen.