Let op: deze stoornis is opgenomen in Deel III van de DSM-5-TR en is dus nog geen officiële stoornis.

Aangezien mensen met niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging suïcide kunnen plegen en dat soms ook doen, is het belangrijk om deze personen te onderzoeken op suïciderisico en om informatie van derden te verkrijgen over recente veranderingen in de stemming en de blootstelling aan stress. Uit onderzoek in drie hoge-inkomenslanden in klinische settings en in de algemene bevolking is gebleken dat de waar­schijn­lijk­heid dat iemand een suïcidepoging doet samenhangt met een voor­ge­schie­de­nis van niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging. De betrokkenen waren doorgaans één à twee jaar voor de suïcidepoging begonnen met het zelf­be­scha­di­gen­de gedrag. De volgende factoren voorspellen het best of iemand aan suïcide denkt of een suïcidepoging gaat doen: het gebruiken van meerdere methoden van niet-suïcidale zelf­be­scha­di­ging in het verleden; een hoge frequentie van het zelf­be­scha­di­gen­de gedrag; een jongere leeftijd bij aanvang; en het uitvoeren van zelf­be­scha­di­gen­de handelingen om verlichting te krijgen van interne lijdensdruk of om zichzelf te straffen.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.