Het hoofdkenmerk van non-remslaap-arou­sal­stoor­nis­sen is het herhaald optreden van onvolledige arousals die meestal beginnen tijdens het eerste derde deel van de belangrijkste slaapperiode (criterium A), doorgaans kort duren, 1–10 minuten, maar ook langer kunnen aanhouden: tot wel één uur. De maximale duur van een voorval is niet bekend. Doorgaans zijn de ogen tijdens dergelijke voorvallen open. Veel mensen vertonen beide subtypen van arousal (slaapwandelen en pavor nocturnus) op verschillende momenten. Dit wijst op de voornaamste onderliggende pathofysiologie. De subtypen zijn een afspiegeling van de mogelijke variaties in het gelijktijdig optreden van wakker zijn en non-remslaap. Deze variaties resulteren in complexe gedragingen die vanuit de slaap beginnen waarbij helder bewustzijn, motorische activiteit en autonome activering in verschillende gradaties voorkomen.

Het hoofdkenmerk van slaapwandelen zijn de herhaalde episoden van complex motorisch gedrag dat tijdens het slapen aanvangt, zoals uit bed komen en rondlopen (criterium A1). De episoden van slaapwandelen kunnen vanuit alle non-remslaapstadia beginnen, maar beginnen gewoonlijk tijdens de langzame-golvenslaap, dus vaak tijdens het eerste derde deel van de nacht. Bij de episoden heeft de betrokkene een verlaagde alertheid en responsiviteit en een starende ge­zichts­uit­druk­king, en reageert hij of zij nauwelijks op contact met anderen of op pogingen van anderen om de betrokkene te wekken. Als de betrokkene uit de episode ontwaakt (of de volgende ochtend) kan hij of zij zich weinig herinneren van de episode. Na de episode kan het zo zijn dat er eerst een korte periode van verwardheid of desoriëntatie is, gevolgd door volledig herstel van de cognitieve functie en het gepaste gedrag.

Het hoofdkenmerk van pavor nocturnus (ook wel ‘nachtangst’ genoemd) is het herhaaldelijk optreden van plotselinge ontwaakmomenten vanuit de slaap, meestal beginnend met een paniekerige schreeuw of gil (criterium A2). Aanvallen van pavor nocturnus beginnen meestal tijdens het eerste derde deel van de belangrijkste slaapperiode en duren 1–10 minuten, maar kunnen ook aanzienlijk langer aanhouden, vooral bij kinderen. De episoden gaan gepaard met een opvallende autonome arousal en een intense angst die zich manifesteert in het gedrag. Tijdens een episode is de betrokkene moeilijk te wekken of gerust te stellen. Als de betrokkene na de nachtelijke angstaanval ontwaakt, kan hij of zij zich weinig tot niets van de droom herinneren, of herinnert zich slechts fragmentarische, losse beelden. Tijdens een typische episode van pavor nocturnus zit de betrokkene plotseling rechtop in bed en schreeuwt of gilt, en heeft een angstige ge­laats­uit­druk­king en autonome verschijnselen van intense angst (bijvoorbeeld snelle hartslag, snel ademhalen, transpireren, verwijde pupillen). De betrokkene is soms ontroostbaar en reageert doorgaans niet op pogingen van anderen om hem of haar te wekken of gerust te stellen.

Of er sprake is van een ‘stoornis’ hangt bij beide subtypen non-remslaap-arou­sal­stoor­nis­sen van een aantal factoren af. Deze factoren kunnen van persoon tot persoon variëren en zijn afhankelijk van de frequentie van de voorvallen, de kans op geweld of gedragingen die tot verwondingen kunnen leiden, de aanwezigheid van schaam­te­ge­voe­lens, en/of een ontwrichtende of stressvolle situatie voor de andere leden van het huishouden. De ernst kan het best aan de hand van de aard of consequenties van het gedrag worden vastgesteld, in plaats van alleen op basis van de frequentie.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.