Aan­pas­sings­stoor­nis­sen

Adjustment disorders

F43.2

CLASSIFICATIECRITERIA

ADe ontwikkeling van emotionele of gedragsmatige symptomen als reactie op (een) aanwijsbare stressor(en) die optreden binnen drie maanden na het begin van de stressor(en).

Er moet een herkenbare stressor zijn en de symptomen moeten binnen drie maanden na aanvang van deze stressor beginnen. Het kan daarbij gaan om emotionele of ge­drags­symp­to­men (bijvoorbeeld depressiviteit, angst of ageergedrag). Wanneer er een verdenking is van een aan­pas­sings­stoor­nis is de cruciale vraag: ‘Waaraan heeft de betrokkene moeite zich aan te passen?’

BDeze symptomen of gedragingen zijn klinisch significant, zoals blijkt uit een of beide van de volgende kenmerken:

1Duidelijke lijdensdruk die niet in verhouding staat met de ernst of intensiteit van de stressor, rekening houdend met de externe context en de culturele factoren die de ernst en presentatie van de symptomen kunnen beïnvloeden.

2Significante beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.

Dit criterium is belangrijk, omdat het de aanzienlijke beperkingen in het functioneren of de subjectieve lijdensdruk beschrijft die een aan­pas­sings­stoor­nis onderscheidt van normale reacties die veel mensen ervaren wanneer zij een stressvolle situatie of gebeurtenis meemaken. Voor de classificatie van een aan­pas­sings­stoor­nis zijn nu lijdensdruk en/of beperkingen vereist, in plaats van óf lijdensdruk óf beperkingen, zoals uit de Amerikaanse DSM-IV kon worden geïnterpreteerd.

CDe stres­sor­ge­re­la­teer­de stoornis voldoet niet aan de criteria voor een andere psychische stoornis en is niet slechts een exacerbatie van een reeds bestaande psychische stoornis.

De stoornis moet niet slechts een verergering zijn van een reeds bestaande stoornis, zoals de depressieve stoornis, en de aanwezigheid van een specifiekere psychische stoornis moet worden uitgesloten. Als een betrokkene bijvoorbeeld angst ervaart in reactie op een stressor en symptomen heeft die verder aan de criteria voor de paniekstoornis voldoen, moet die classificatie worden toegekend en niet die van een aan­pas­sings­stoor­nis.

De symptomen mogen niet samenhangen met die van normale rouw, wat niet als een psychische stoornis wordt gezien. Wanneer iemand die rouwt echter symptomen ontwikkelt die overeenkomen met een depressieve episode, dan is de juiste classificatie depressieve stoornis, omdat het zogeheten uit­slui­tings­cri­te­ri­um voor de rouwreactie is verwijderd (zie ‘Stem­mings­stoor­nis­sen’, voor een bespreking van dit uit­slui­tings­cri­te­ri­um).

DDe symptomen zijn geen uiting van normale rouw en kunnen niet beter worden verklaard door een persisterende-rouwstoornis.

De stoornis moet niet slechts een verergering zijn van een reeds bestaande stoornis, zoals de depressieve stoornis, en de aanwezigheid van een specifiekere psychische stoornis moet worden uitgesloten. Als een betrokkene bijvoorbeeld angst ervaart in reactie op een stressor en symptomen heeft die verder aan de criteria voor de paniekstoornis voldoen, moet die classificatie worden toegekend en niet die van een aan­pas­sings­stoor­nis.

De symptomen mogen niet samenhangen met die van normale rouw, wat niet als een psychische stoornis wordt gezien. Wanneer iemand die rouwt echter symptomen ontwikkelt die overeenkomen met een depressieve episode, dan is de juiste classificatie depressieve stoornis, omdat het zogeheten uit­slui­tings­cri­te­ri­um voor de rouwreactie is verwijderd (zie hoofdstuk 5, ‘Stem­mings­stoor­nis­sen’, voor een bespreking van dit uit­slui­tings­cri­te­ri­um).

EZodra de stressor of de gevolgen daarvan zijn verdwenen, persisteren de symptomen niet langer dan nog eens zes maanden.

Aan­pas­sings­stoor­nis­sen zijn kortdurende reacties die optreden in respons op stressoren en die eindigen wanneer de stressor of de gevolgen daarvan zijn verdwenen; de symptomen houden daarna niet meer dan zes maanden aan. Wanneer de symptomen langer aanhouden, heeft de betrokkene waarschijnlijk een andere stoornis, zoals de ge­ge­ne­ra­li­seer­de-angststoornis.

Specificeer indien:

Acuut De symptomen duren korter dan zes maanden.

Persisterend (chronisch) De symptomen duren zes maanden of langer.

Specificeer of:

Met verlaagde stemming Depressieve symptomen (zoals verdrietige stemming, huilerigheid of gevoelens van wanhoop) staan op de voorgrond.

Met angst Angstsymptomen (zoals zenuwachtigheid, ongerustheid, rusteloosheid of separatieangst) staan op de voorgrond.

Met gemengd angstige en verlaagde stemming Een combinatie van verlaagde stemming en angstsymptomen staat op de voorgrond.

Met een stoornis in het gedrag Gedragsmatige symptomen die inbreuk maken op de rechten van anderen of op belangrijke leef­tijds­ge­bon­den maat­schap­pe­lij­ke normen en regels (bijvoorbeeld spijbelen, vandalisme, roekeloos rijden, vechten, het niet nakomen van juridische verplichtingen) staan op de voorgrond.

Met een gemengde stoornis van emoties en gedrag Emotionele symptomen (zoals verlaagde stemming, angstsymptomen) en een stoornis in het gedrag staan beide op de voorgrond.

F43.9

On­ge­spe­ci­fi­ceerd Bij disfunctionele reacties die niet geclassificeerd kunnen worden als een van de specifieke subtypen van de aan­pas­sings­stoor­nis­sen.

Specificeer indien:

Acuut Deze specificatie is te gebruiken voor symptomen die korter dan zes maanden aanhouden.

Persisterend (chronisch) Deze specificatie is te gebruiken voor symptomen die zes maanden of langer aanhouden. Per definitie kunnen symptomen niet langer dan zes maanden aanhouden nadat de stressor of de gevolgen daarvan zijn gestopt. De specificatie ‘persisterend (chronisch)’ is dus van toepassing als de stoornis langer dan zes maanden aanhoudt in reactie op een chronische stressor of op een stressor met langdurige gevolgen.

Nadat de clinicus een aan­pas­sings­stoor­nis heeft vastgesteld, kan hij of zij een subtype toekennen, dat afhankelijk is van het symptoombeeld van de betrokkene. Er zijn verschillende aan­pas­sings­stoor­nis­sen, maar in de meeste gevallen is er sprake van ofwel een sombere stemming of angst­ge­re­la­teer­de symptomen of een combinatie van beide. In sommige gevallen kan de stressor ertoe leiden dat een betrokkene ageergedrag vertoont of zich misdraagt, wat de toekenning van het subtype 'met een stoornis in het gedrag' rechtvaardigt. Zo kan een adolescent bijvoorbeeld winkeldiefstal plegen of ergens anders iets stelen, en een volwassene kan een bui­ten­ech­te­lij­ke affaire beginnen of geld verduisteren. Soms heeft een betrokkene een combinatie van emotionele en ge­drags­pro­ble­men, wat leidt tot het subtype 'met een gemengde stoornis van emoties en gedrag'.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.