F51.8
CLASSIFICATIECRITERIA
ARecidiverende episoden van arousal tijdens de slaap gepaard gaand met vocalisatie en/of complex motorisch gedrag.
De remslaapgedragsstoornis wordt gekenmerkt door herhaalde episoden van arousal tijdens de remslaap, vaak gepaard gaand met vocalisatie en/of complex motorisch gedrag. Deze gedragingen zijn doorgaans motorische responsen op de inhoud van gewelddadige of met veel actie gepaard gaande dromen, en kunnen als ‘droomgeïnduceerde handelingen’ worden omschreven. De handelingen kunnen zeer vervelend zijn voor de betrokkene en zijn of haar bedpartner en kunnen ernstig letsel veroorzaken (bijvoorbeeld door uit bed te vallen of te springen, of de partner te stompen of te schoppen). Het gedrag treedt alleen op tijdens de remslaap. Bij het ontwaken is de betrokkene onmiddellijk alert en georiënteerd en kan hij of zij zich de droominhoud meestal goed herinneren. Verder moet een van de volgende kenmerken aanwezig zijn: (1) een remslaap zonder atonie op een polysomnografische registratie, of (2) een anamnese die wijst op de remslaapgedragsstoornis, en een vastgestelde diagnose van een synucleïnopathie (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson).
BDit gedrag ontstaat tijdens de remslaap en komt daardoor meestal meer dan 90 minuten na het inslapen voor, komt in de latere fasen van de slaapperiode frequenter voor, en komt zelden voor tijdens dutjes overdag.
De remslaapgedragsstoornis wordt gekenmerkt door herhaalde episoden van arousal tijdens de remslaap, vaak gepaard gaand met vocalisatie en/of complex motorisch gedrag. Deze gedragingen zijn doorgaans motorische responsen op de inhoud van gewelddadige of met veel actie gepaard gaande dromen, en kunnen als ‘droomgeïnduceerde handelingen’ worden omschreven. De handelingen kunnen zeer vervelend zijn voor de betrokkene en zijn of haar bedpartner en kunnen ernstig letsel veroorzaken (bijvoorbeeld door uit bed te vallen of te springen, of de partner te stompen of te schoppen). Het gedrag treedt alleen op tijdens de remslaap. Bij het ontwaken is de betrokkene onmiddellijk alert en georiënteerd en kan hij of zij zich de droominhoud meestal goed herinneren. Verder moet een van de volgende kenmerken aanwezig zijn: (1) een remslaap zonder atonie op een polysomnografische registratie, of (2) een anamnese die wijst op de remslaapgedragsstoornis, en een vastgestelde diagnose van een synucleïnopathie (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson).
CBij het ontwaken uit deze episoden is de betrokkene volledig wakker, alert en niet verward of gedesoriënteerd.
De remslaapgedragsstoornis wordt gekenmerkt door herhaalde episoden van arousal tijdens de remslaap, vaak gepaard gaand met vocalisatie en/of complex motorisch gedrag. Deze gedragingen zijn doorgaans motorische responsen op de inhoud van gewelddadige of met veel actie gepaard gaande dromen, en kunnen als ‘droomgeïnduceerde handelingen’ worden omschreven. De handelingen kunnen zeer vervelend zijn voor de betrokkene en zijn of haar bedpartner en kunnen ernstig letsel veroorzaken (bijvoorbeeld door uit bed te vallen of te springen, of de partner te stompen of te schoppen). Het gedrag treedt alleen op tijdens de remslaap. Bij het ontwaken is de betrokkene onmiddellijk alert en georiënteerd en kan hij of zij zich de droominhoud meestal goed herinneren. Verder moet een van de volgende kenmerken aanwezig zijn: (1) een remslaap zonder atonie op een polysomnografische registratie, of (2) een anamnese die wijst op de remslaapgedragsstoornis, en een vastgestelde diagnose van een synucleïnopathie (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson).
DEen van de volgende kenmerken:
1Remslaap zonder atonie op een polysomnografische registratie.
2Een anamnese wijzend op de remslaapgedragsstoornis en een vastgestelde diagnose synucleopathie (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson, multisysteematrofie).
De remslaapgedragsstoornis wordt gekenmerkt door herhaalde episoden van arousal tijdens de remslaap, vaak gepaard gaand met vocalisatie en/of complex motorisch gedrag. Deze gedragingen zijn doorgaans motorische responsen op de inhoud van gewelddadige of met veel actie gepaard gaande dromen, en kunnen als ‘droomgeïnduceerde handelingen’ worden omschreven. De handelingen kunnen zeer vervelend zijn voor de betrokkene en zijn of haar bedpartner en kunnen ernstig letsel veroorzaken (bijvoorbeeld door uit bed te vallen of te springen, of de partner te stompen of te schoppen). Het gedrag treedt alleen op tijdens de remslaap. Bij het ontwaken is de betrokkene onmiddellijk alert en georiënteerd en kan hij of zij zich de droominhoud meestal goed herinneren. Verder moet een van de volgende kenmerken aanwezig zijn: (1) een remslaap zonder atonie op een polysomnografische registratie, of (2) een anamnese die wijst op de remslaapgedragsstoornis, en een vastgestelde diagnose van een synucleïnopathie (bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson).
EHet gedrag veroorzaakt klinisch significante lijdensdruk of beperkingen in het sociale en beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen (hiertoe kan behoren het verwonden van zichzelf of de bedpartner).
De classificatie remslaapgedragsstoornis vereist de aanwezigheid van klinisch significante lijdensdruk of beperkingen. De fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld een drug of een geneesmiddel) of een somatische aandoening moeten als oorzaak van de stoornis worden uitgesloten, evenals co-existente psychische stoornissen of somatische aandoeningen.
FDe stoornis kan niet worden toegeschreven aan de fysiologische effecten van een middel (zoals een drug of medicatie) of aan een somatische aandoening.
De classificatie remslaapgedragsstoornis vereist de aanwezigheid van klinisch significante lijdensdruk of beperkingen. De fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld een drug of een geneesmiddel) of een somatische aandoening moeten als oorzaak van de stoornis worden uitgesloten, evenals co-existente psychische stoornissen of somatische aandoeningen.
GCo-existente psychische stoornissen en somatische aandoeningen kunnen de episoden niet verklaren.
De classificatie remslaapgedragsstoornis vereist de aanwezigheid van klinisch significante lijdensdruk of beperkingen. De fysiologische effecten van een middel (bijvoorbeeld een drug of een geneesmiddel) of een somatische aandoening moeten als oorzaak van de stoornis worden uitgesloten, evenals co-existente psychische stoornissen of somatische aandoeningen.