Werkwijze bij de diagnostiek
Werkwijze bij de diagnostiek
Veel patiënten rapporteren angstklachten, en sommigen zullen zelfs zeggen dat ze ‘paniekaanvallen’ hebben gehad. Om de uniformiteit te stimuleren, biedt de DSM-5 duidelijke criteria aan voor het gebruik van de term ‘paniekaanval’. Deze is gedefinieerd als symptomen die binnen enkele minuten van een laag niveau een piek bereiken van een zeer hoog niveau, zoals bij een verrassingsaanval. Zogenoemde ‘aanvallen’ die gedurende enkele uren geleidelijk zijn opgekomen (bijvoorbeeld: ‘Ik heb mijzelf een paniekaanval bezorgd door de hele dag te denken aan mijn date die avond’) voldoen niet aan het vereiste bij de paniekaanval dat die zowel plotseling moet zijn ontstaan als snel een piek dient te bereiken. Bij een paniekaanval moeten er daarnaast vier of meer klachten zijn uit een lijst van klachten die ofwel somatisch zijn (bijvoorbeeld transpireren) of vooral psychisch (bijvoorbeeld angst om te sterven). Sommige patiënten hebben tijdens de aanvallen minder dan vier symptomen. Deze aanvallen kunnen subklinische paniekaanvallen of voorlopers van paniekaanvallen zijn en zullen misschien later deel blijken uit te maken van een paniekstoornis. In de DSM-5 worden ook nachtelijke paniekaanvallen beschreven, die in samenhang met de slaap optreden.
Belangrijk is dat de termen ‘paniekaanval’ en ‘paniekstoornis’ geen synoniemen zijn. Paniekaanvallen zijn het belangrijkste symptoom van de paniekstoornis. De classificatie paniekstoornis vereist de aanwezigheid van paniekaanvallen, maar niet iedereen met paniekaanvallen heeft een paniekstoornis. De criteria voor paniekaanvallen en de paniekstoornis zijn verschillend. In de DSM-5 is een paniekaanval geen stoornis, maar een specificatie die aan DSM-5-stoornissen kan worden toegevoegd wanneer iemand in het kader van een bepaalde stoornis paniekaanvallen heeft. Deze specificatie kan dus bij verschillende psychiatrische of somatische aandoeningen worden toegevoegd.
In de DSM-5 staat dat minstens enkele paniekaanvallen bij de paniekstoornis terugkerend en onverwacht moeten zijn. De term ‘onverwacht’ betreft aanvallen die niet door een stimulus lijken te worden veroorzaakt of opgewekt en die dus zonder enige waarschuwing optreden. Patiënten met een paniekstoornis met onverwachte paniekaanvallen beschrijven hun aanvallen vaak als ‘volledig uit het niets opkomend’. Vanwege de spontaniteit van de aanvallen wordt in onderzoek naar een endogene oorzaak van de aanvallen gezocht, bijvoorbeeld een endogene chemische stof die in het lichaam circuleert.
Om te bepalen of paniekaanvallen ‘onverwacht’ zijn, kan enige mate van interpretatie nodig zijn, omdat elke patiënt (en elke cultuur) andere opvattingen heeft over de causaliteit van gedrag. In de DSM-5 wordt bijvoorbeeld opgemerkt dat oudere volwassenen ten opzichte van jongere mensen meer geneigd zijn om angstsymptomen achteraf toe te schrijven aan verschillende gebeurtenissen in de omgeving; dit kan ertoe leiden dat zij onverwachte paniekaanvallen minder vaak melden.
Andere vereisten bij de beoordeling van een paniekstoornis zijn bovendien dat vastgesteld moet worden of iemand angstig is geworden voor nieuwe paniekaanvallen en gedrag heeft aangeleerd om paniekaanvallen te voorkomen. Dit zijn twee verschillende manifestaties van de paniekstoornis die de paniekstoornis onderscheiden van louter paniekaanvallen.
Zoals vermeld in de DSM-5 is ook van belang dat ‘paniekaanvallen en het hebben van een paniekstoornis in het voorafgaande jaar [samenhangen] met een hoger aantal suïcidepogingen en suïcidale gedachten gedurende het voorafgaande jaar, een verband dat overeind blijft als rekening wordt gehouden met comorbiditeit en een voorgeschiedenis van kindermishandeling en andere risicofactoren voor suïcide’ (Handboek, p. 317).