Differentiële diagnostiek

Differentiële diagnostiek

Aangezien het hoofdkenmerk van de paniekstoornis paniekaanvallen zijn, die ook in het kader van veel andere aandoeningen kunnen optreden, is de differentiële diagnostiek van de paniekstoornis veelomvattend. De classificaties die mogelijk zijn kunnen worden onderverdeeld in niet-psychiatrische en psychiatrische aandoeningen. De eerste groep omvat verschillende somatische aandoeningen (zoals hart­rit­me­stoor­nis­sen en astma), die een adequaat lichamelijk onderzoek noodzakelijk maken. Paniekaanvallen kunnen ook bij veel psychiatrische stoornissen worden gezien, bijvoorbeeld bij andere angst­stoor­nis­sen. Als de paniekaanvallen alleen in samenhang met de symptomen van een angststoornis voorkomen, dan krijgt de andere angststoornis prioriteit in de diagnostiek. Als bijvoorbeeld de paniekaanvallen uitsluitend optreden in sociale situaties die vrees oproepen als gevolg van een sociale-angststoornis, dan krijgt de classificatie sociale-angststoornis voorrang. Paniekaanval kan dan als specificatie worden vermeld en de classificatie paniekstoornis wordt niet toegekend. Met andere woorden: het gaat hier om te verwachten paniekaanvallen in de sociale omstandigheden van een patiënt met een sociale-angststoornis.

In het geval dat de paniekstoornis en een andere aandoening die gepaard kan gaan met paniekaanvallen comorbide voorkomen, dient de clinicus bewijzen te verzamelen over minstens enkele paniekaanvallen die buiten het kader van de andere aandoening optreden, die onverwacht zijn, en die uitsluitend zijn toe te schrijven aan een paniekstoornis. Dit patroon is belangrijk omdat de paniekstoornis sterk comorbide is met verschillende andere stoornissen, zoals andere angst­stoor­nis­sen, de depressieve stoornis en bipolaire-stem­mings­stoor­nis­sen.

Zoals vermeld in de DSM-5 kan er zich na paniekaanvallen en de paniekstoornis ook agorafobie ontwikkelen. Dit wordt bevestigd door 30% van de mensen met agorafobie in steekproeven uit de bevolking en minstens 50% van de mensen met agorafobie in klinische steekproeven. Omgekeerd laten andere gevallen zien dat een paniekstoornis ook kan volgen op agorafobie. Agorafobie is gewoonlijk een langdurige en invaliderende aandoening.

Zie de DSM-5 voor andere stoornissen die in de differentisële diagnostiek moeten worden overwogen. Zie ook de informatie over comorbiditeit en differentisële diagnostiek onder de betreffende stoornissen in de DSM-5.

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.