De ouders van een 9-jarig meisje genaamd Sophie brengen hun dochter naar de polikliniek vanwege haar cognitieve achterstanden. De onderzoeker bepaalt door middel van een beoordeling van behaalde intellectuele mijlpalen en de leerprestaties of het kind achterblijft bij de verwachte, bij de leeftijd passende ontwikkeling in de algemene intellectuele vaardigheden. De onderzoeker vraagt aan de ouders: ‘Wanneer hebben jullie voor het eerst gemerkt dat Sophie een vertraagde ontwikkeling zou kunnen hebben?’ Hij stelt vast dat de tekorten gedurende de ontwikkelingsperiode zijn ontstaan. Een beoordeling van de beperkingen moet het redeneren, het oplossen van problemen, het abstracte denken, het oordeelsvermogen en het leren omvatten. Hij vraagt: ‘Heeft uw dochter ooit een psychologische test of een IQ-test gehad?’ en hij bepaalt ook of er ooit een gestandaardiseerde beoordeling van het adaptieve functioneren is gedaan. Als de resultaten daarvan beschikbaar zijn, dient de onderzoeker deze immers zorgvuldig te interpreteren om vast te stellen of de algemene intellectuele prestaties significant afwijken van de bevolkingsgemiddelden en of de tekorten in de prestaties niet beter verklaard kunnen worden door andere aandoeningen. De onderzoeker vraagt de ouders vervolgens om de lichamelijke, medische en familiegeschiedenis van Sophie te schetsen, alsmede aan te geven of er sprake is van blootstelling aan omgevingsfactoren. Hij dient immers bedacht te zijn op alle factoren die de onderliggende oorzaak van de verstandelijke beperking kunnen verklaren. Hij vraagt dan aan Sophie en haar ouders: ‘Op welke manier vormen deze symptomen een probleem voor het dagelijkse functioneren, bijvoorbeeld de prestaties op school en de relaties met anderen?’ Vervolgens bepaalt hij de ernst van de beperkingen in het functioneren in de conceptuele, sociale en praktische domeinen.
Zoals kenmerkend is voor een verstandelijke beperking, wordt dit meisje verwezen omdat haar verzorgers vrezen dat zij problemen heeft met de cognitieve ontwikkeling. De onderzoeker brengt de aard van deze tekorten in kaart door middel van een klinisch onderzoek en neuropsychologische tests en constateert dat de beperkingen bestaan uit globale moeilijkheden in de algemene intellectuele vaardigheden. De onderzoeker bepaalt of er factoren zijn die op een bepaalde oorzaak of een oorzakelijk mechanisme wijzen. Naast een grondige klinische anamnese zal de clinicus een lichamelijk onderzoek willen uitvoeren, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan neurologische symptomen of bepaalde vormen van dysmorfie. Als er een hoge mate van verdenking is op een specifiek cluster van stoornissen kan hij het ook nuttig vinden om dit kind te verwijzen naar collega’s met andere specialismen. De onderzoeker zal ook willen nagaan hoe de verstandelijke beperkingen van invloed zijn op specifieke domeinen van het functioneren. Aanvullende informatie van andere zorgverleners, collega’s en verzorgers is nuttig om het niveau van adaptief functioneren in meerdere contexten vast te stellen.
Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.