Werkwijze bij de diagnostiek

Werkwijze bij de diagnostiek

Mensen met een verstandelijke beperking krijgen de classificatie meestal op jonge leeftijd toegekend. In ernstige gevallen zijn de tekenen van een vertraagde cognitieve ontwikkeling al in de eerste levensjaren duidelijk. Kinderen met een subtieler beeld worden soms pas doorverwezen als er op school aanwijzingen worden opgemerkt. De classificatie vereist echter dat er tijdens de ont­wik­ke­lings­pe­ri­o­de symptomen aanwezig zijn (criterium C). Aangezien het klinische beeld en de bijbehorende symptomen sterk afhankelijk zullen zijn van de etiologie, is het belangrijk om na te gaan welke symptomen van syndromale stoornissen er zijn, ook na de vaststelling dat aan de criteria voor een verstandelijke beperking wordt voldaan. Dit houdt een grondige beoordeling in van de ge­drags­symp­to­men, de ont­wik­ke­lings­ge­schie­de­nis, de fa­mi­lie­ge­schie­de­nis en lichamelijke kenmerken. Omdat de meeste oorzaken gerelateerd zijn aan de periode rond de geboorte is het essentieel om een grondige medische en ont­wik­ke­lings­a­nam­ne­se te verkrijgen voor deze periode. Het kan ook nuttig zijn voor de beoordeling en de behandeling om, indien nodig, een heteroanamnese te verkrijgen van de school en te verwijzen naar specialisten op het gebied van genetica en kinderen.

Tekorten in de algemene intellectuele vaardigheden (criterium A) worden aangetoond door middel van ge­stan­daar­di­seer­de in­tel­li­gen­tie­tests. Gewoonlijk wordt een score van twee stan­daard­de­vi­a­ties van het gemiddelde beschouwd als bewijs voor een cognitieve beperking (bijvoorbeeld een score <70 ± 5 als de gemiddelde score 100 is en de stan­daard­de­vi­a­tie 15). Het is belangrijk om te onthouden dat een totale IQ-score niet altijd een nauwkeurige meting is van het intellectuele vermogen; een klinisch oordeel is nodig om te interpreteren of de aandacht, culturele of taalproblemen, de motivatie, of een disharmonisch in­tel­li­gen­tie­pro­fiel van invloed zijn op de algehele prestaties op de test.

Een verlaagde intelligentie is een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde voor het classificeren van een verstandelijke beperking. Het adaptief functioneren moet aantoonbaar verminderd zijn; dit geeft aan hoe goed iemand in staat is zich aan te passen aan het dagelijks leven in de schoolse/intellectuele, sociale en praktische domeinen, en in hoeverre hij of zij voldoet aan de sociale normen van persoonlijke on­af­han­ke­lijk­heid (criterium B). Adaptief gedrag zal nood­za­ke­lij­ker­wijs afhangen van de leeftijd en van sociaal-culturele invloeden; daarom moeten deze aspecten altijd zorgvuldig worden overwogen bij het toekennen van een classificatie. Vooral voor mensen met ernstigere beperkingen is het nuttig om meer informatie te verkrijgen over het adaptieve functioneren, bijvoorbeeld van andere betrouwbare informanten of uit metingen of ge­stan­daar­di­seer­de tests die specifiek gericht zijn op de beoordeling van adaptief gedrag.

NB In de DSM-5 wordt de ernst van de verstandelijke beperking gecategoriseerd op basis van het niveau van iemands functioneren ten opzichte van leef­tijds­ge­no­ten zonder beperking, en niet op basis van IQ-scores. Ten slotte is het belangrijk om te weten dat er geen uit­slui­tings­cri­te­ria voor deze stoornis zijn: als aan de criteria voor de verstandelijke beperking wordt voldaan moet een classificatie worden toegekend, ongeacht of er comorbide stoornissen aanwezig zijn.

Zoals vermeld in de DSM-5 is ‘bij mensen die de classificatie verstandelijke beperking hebben gekregen en daarnaast andere psychische stoornissen hebben, […] het risico op suïcide groter. Ze denken over suïcide, doen suïcidepogingen en kunnen daaraan overlijden. Daarom is het van groot belang dat er bij het onderzoek gescreend wordt op su­ï­ci­de­ge­dach­ten’ (Handboek, p. 94).

Deze site geniet auteursrechtelijke bescherming. Derhalve is afdrukken niet toegestaan.