Opnemen van de anamnese
Opnemen van de anamnese
Een moeder rapporteert dat haar 8-jarige zoon, Jan, overdag in zijn broek poept. De onderzoeker begint met open vragen om de duur, de frequentie en de aard van de symptomen te bepalen. De eerste vragen zijn gericht aan de moeder: ‘Hoelang is dit al een probleem? Poept Jan echt buiten het toilet, of lijkt het alleen maar om vlekken in zijn ondergoed te gaan? Heeft hij in het verleden problemen met zijn maag of darmen gehad, zoals maagpijn, braken, obstipatie of diarree? Hoe vaak poept Jan — is dat dagelijks of minder vaak? Zijn zijn uitwerpselen groot of hard? Veroorzaken ze veel pijn bij het poepen?’ De onderzoeker richt zich vervolgens tot Jan: ‘Is je ooit verteld dat je obstipatie hebt, dat is verstopping van de poep in je darmen? Zo ja, wat heb je eraan gedaan? Denk je dat je nu obstipatie hebt? Zo ja, hoe ga je daarmee om? Ben je andere dingen gaan eten? Neem je pillen in om beter te kunnen poepen? Hoe vaak poep je op het toilet? Waar anders poep je weleens (bijvoorbeeld in je ondergoed, ergens in de slaapkamer)? Zijn er plekken waar je niet naar het toilet gaat (bijvoorbeeld in het openbaar, op school, bepaalde toiletten)? Waarom of waarom niet? Wat gebeurt er als je een ongelukje krijgt? Voel je dan aankomen dat je nodig naar het toilet moet, of komt de poep er gewoon maar uit?’ De onderzoeker vraagt dan aan de ouder: ‘Lijkt uw kind te weten wanneer hij naar het toilet moet?’ De frequentie van fecale incontinentie kan variëren, maar om aan de DSM-5-criteria te voldoen, dient er gedurende drie opeenvolgende maanden minstens één incident per maand te zijn geweest.
De onderzoeker zou ook moeten informeren naar het algemene functioneren. Het is belangrijk om ook Jan bij de vragen te betrekken, niet alleen om een relatie met het kind op te bouwen, maar ook om de problematiek helder te krijgen. Het is vaak handig om de anamnese deels bij de ouder en het kind samen op te nemen. Maar ook is het goed om het kind of de ouder alleen te zien, in het bijzonder als het gesprek lijdensdruk lijkt te veroorzaken. Omdat de meeste kinderen het zeer beschamend vinden om te praten over broekpoepen, is een niet-veroordelende en empathische houding van belang. De onderzoeker vraagt de ouder: ‘Hoe doet Jan het in het algemeen? Hoe gaat het op school? Hoe zou de leerkracht van uw zoon hem beschrijven? Hoe zijn zijn rapporten?’ De onderzoeker richt zich vervolgens tot Jan en vraagt hem: ‘Heb je een beste vriend? Wat voor soort dingen vind je leuk om met je vrienden te doen? Word je weleens uitgenodigd om bij iemand te komen logeren? Ga je dan? Zit je op een sport? Welke? Vertel eens iets over thuis — heb je weleens ruzie met je ouders of broers en zussen? Maak je je nog ergens anders zorgen over?’
Zoals herhaaldelijk opgemerkt in dit hoofdstuk is het van cruciaal belang dat lichamelijke oorzaken worden uitgesloten. Enkele belangrijke vragen zijn hiervoor al opgenomen, maar andere zijn de volgende: ‘Heeft uw kind ooit een belangrijke ziekte of verwonding gehad, zoals aan zijn hoofd of ruggengraat? Neemt hij of zij medicijnen of vrij verkrijgbare supplementen? Hoeveel water drinkt hij of zij?’
Met de DSM-5-criteria is encopresis relatief eenvoudig vast te stellen, ondanks de noodzaak om lichamelijke oorzaken van de incontinentie uit te sluiten. De onderzoeker moet vaststellen of het kind een (ontwikkelings)leeftijd heeft van 4 jaar of ouder, en of er minstens eenmaal per maand en drie maanden lang symptomen aanwezig zijn. In tegenstelling tot bij enuresis, wordt de frequentie van de symptomen of de aanwezigheid van significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren in de criteria voor encopresis niet gespecificeerd. Ten slotte moet de onderzoeker bevestigen dat er geen sprake is van een somatische aandoening of blootstelling aan middelen die de symptomen van fecesincontinentie beter kan verklaren. Bij de classificatie wordt vastgelegd of er al dan niet obstipatie aanwezig is, want deze specificatie is sturend voor de behandeling.